Psalm 50

Bij psalm 50 - door Greteke de Vries

Een schitterende scene:
Een volmaakte stad,
Een stralende Figuur schrijdt voorwaarts,
Stofwolken waaien op,
Wervelstormen gaan voor hem uit,
Licht, aanzwellende klanken.
Hij strekt zijn armen omhoog,
Hij opent zijn mond als een bazuin:

Mijn vrienden voor wie Ik alles over heb
en die mij te vriend menen te houden met hun offers
verzamel hen allen vóór mij!
Ik zal hen aanklagen en zo nodig berechten!

Jullie offeren mij, akkoord, maar met je geld en je goed?
Wie denken jullie wel dat Ik ben?
Alles wat jullie hebben is toch al van mij.
Jullie offeren de mensen met de simpele baantjes,
de minderheden, de lager opgeleiden bieden jullie mij aan.
Jullie vragen offers van de werknemers,
voor ieders privacy betalen jullie de hoogste prijs.
Maar voor wie dan, voor wat?
Voor mij?
Zal Ik jullie daarom redden?
Ik ben toch niet de god van de economische groei,
de god van veiligheid mag wat kosten,
de god van hoera de nagelstudio is weer open en ik kon goddank een tatoe laten zetten en
naar de schoonheidssalon heb ik weken uitgekeken-god?

Willen jullie het goede samenleven zó weer bereiken?

Breng mij een dankoffer, voor al het goede dat Ik ben blijven geven.
Doe wat jullie mij als jullie vriend hebben beloofd:
dat je míjn hulp zult inroepen in tijden van nood,
dat je vertrouwt dat Ik je zal redden,
dat je míj bekent als bron van je vrede.

Wat kan het mij schelen dat je met je mond mijn recht belijdt
en dat je met mij zei te willen leven in de vrijheid die ik je gaf?

Je wilt niet gecorrigeerd worden wanneer je weer eens meent almachtig te zijn,
Je schuift mijn woorden van gerechtigheid en liefde ter zijde.
Jij gaat met iedereen mee van wie jij profiteren kunt
Je houd je op met wie onbetrouwbaar is, gedreven door begeerte.
Je beschuldigt je broeders, de een na de ander geef jij de schuld.

Moet Ik zwijgen bij wat jij doet?
Je denkt toch niet dat Ik je je gang wel zal laten gaan
omdat Ik net zo ben als jij?

Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op.
Snap nou toch waarover Ik het heb, jullie die God vergeten,
Ik ben het Leven, Ik wíl niet jullie ondergang en niemand die je redt.
Wie een dankoffer brengt herstelt onze vriendschap,
Wie mij eert zal merken dat Ik jullie wereld genezen zal.

  Een psalm van Asaf.

De God der goden, de HEER,
gaat spreken en roept de aarde bijeen
van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat.
  Uit Sion, stad van volmaakte pracht,
verschijnt God in stralend licht.
  Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen!
Laaiend vuur raast voor hem uit,
rondom hem wervelt een storm.
  Hij roept de hemel op, daar boven,
en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk:

  ‘Breng mijn getrouwen vóór mij,
die zich met offers aan mij verbinden.’
  De hemel verkondigt Gods gerechtigheid,
hijzelf treedt op als rechter. sela

  ‘Luister, mijn volk, ik ga spreken,
Israël, ik ga tegen je getuigen,
ik, God, je eigen God.

  Ik klaag je niet aan om je offers,
nooit dooft voor mij het offervuur.
  Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig,
noch de bokken uit je kooien.
  Mij behoren de dieren van het woud,
de beesten op duizenden bergen,
  ik ken alle vogels van het gebergte,
wat beweegt in het veld is van mij.
  Had ik honger, ik zou het je niet zeggen,
van mij is de wereld en wat daar leeft.
  Eet ik soms het vlees van stieren
of drink ik het bloed van bokken?

  Breng God een dankoffer
en doe wat je de Allerhoogste belooft.
  Roep mij te hulp in tijden van nood,
ik zal je redden, en je zult mij eren.’

  Maar tot wie kwaad doet zegt God:
‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt
en mijn verbond in de mond neemt?
  Je haat het als ik je terechtwijs,
mijn woorden schuif je terzijde.
  Zie je een dief, je loopt met hem mee,
en bij overspeligen ben je thuis.
  Je gebruikt je mond voor lastertaal
en verbindt je tong aan bedrog.
  Je getuigt tegen je eigen broer,
werpt een smet op de zoon van je moeder.

  Zou ik dan zwijgen bij wat je doet,
je denkt toch niet dat ik ben als jij?

Ik klaag je aan, ik som je wandaden op.
  Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,
of ik verscheur je, en er is niemand die redt:
  wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,
wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’

Psalm 49

Bij psalm 49 - door Ynze Baumfalk

Eindelijk goed nieuws voor iedereen - schrijft de dichter - rijk of arm, zwart, bruin of rose: er is over over al deze ellende nagedacht. Ik zing erover, zegt de psalmist:

Mensen noem elkaar geen mietje,
eenmaal zing je allemaal,
allemaal hetzelfde liedje,
't is de schuld van 't kapitaal.

De dood maakt geen onderscheid: ben je arm, ben je rijk, ben je dom, ben je slim. Hoog of laag. Hij komt je halen, de dood. 
En wat de rijken ook mogen proberen, ze ontkomen niet aan het graf. En van hun weelde nemen ze niks mee.
Lekker puh!

Heerlijke psalm, mijn socialistische hart zingt 'm op de melodie van de Internationale. Mooi filosofisch ook, best wel fijn om over na te denken.

En dan weer die Corona-werkelijkheid.
Ja, rijk en arm, iedereen gaat uiteindelijk dood.

Uiteindelijk. Schrale troost.

Maar wat telt is het hier en nu. De dood maakt wel degelijk onderscheid. Hoog leeft aanzienlijk langer dan laag. Ook al zonder Corona.
Mortaliteit met COVID-19 onder niet-witte etniciteiten in de Amerika en Engeland meer dan twee keer zo hoog.
En hier net zo goed: laag opleidingniveau, lage inkomens: zij kunnen zich thuiswerken niet permitteren.

Kyrië eleison

(Canisiusvertaling 1939)

Met sopraanstemmen; Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een psalm.

  Volkeren, hoort dit allen aan, Luistert allen, bewoners der aarde;
  Kinderen uit het volk en edelgeborenen, Rijken en armen, allen te zamen!
  Mijn mond gaat diepe wijsheid verkonden, Mijn hart verstandige dingen bepeinzen;
  Ik spits mijn oren voor een moeilijk probleem, En bij snarenspel los ik mijn raadsel op.
  De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.

  Waarom zou ik de dagen der bozen benijden, En de levenskracht van mijn belagers, die mij omringen;
  Van allen, die op hun schatten vertrouwen, En op hun grote rijkdommen pochen?
  Ach, er is niemand, die zich vrij kan kopen, Of aan God zijn losgeld betalen:
  Te hoog is de prijs van zijn leven, Ontoereikend voor eeuwig.
  De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.

  Of zou hij eeuwig blijven leven, En zijn graf niet aanschouwen?
  Neen, men ziet de wijzen sterven, Den dwaas met den domoor vergaan;
  Hun graf is voor altijd hun woning, Hun verblijf van geslacht tot geslacht; En al hebben ze hele landen hun eigen genoemd, Toch laten ze hun schatten voor anderen achter.
  De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.

  Dit is het lot van wie daarop bouwen, Het einde van die daarover snoeven:
  Als schapen worden ze het graf ingejaagd, Het is de dood, die ze weidt; Regelrecht zinken ze neer in de kuil, En hun gestalte gaat over tot de ontbinding van de dood.
  Neen, God alleen kan de prijs voor mijn leven betalen. Hij alleen mij uit de macht van het dodenrijk redden!
  De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.

  Dus wees niet afgunstig, als iemand rijkdommen krijgt, En de schat van zijn huis zich vermeerdert;
  Want niets van dit alles neemt hij mee bij zijn dood, En de schat volgt hem niet in het graf.
  Al prijst hij zich bij zijn leven gelukkig, En roemt zich, omdat het hem goed gaat:
  Toch komt hij in het verblijf van zijn vaderen, En nooit meer aanschouwt hij het licht.
  De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt

Psalm 48

Bij Psalm 48 - door Esger Renkema

Het is makkelijk praten deze psalm!

– Groot is de HEER en hoog te loven –
Althans, voor wie daar boven op die berg zit.
En die heeft mooi praten daar in zijn paleis,
bovenin zijn hoge, sterke toren.
Als je zelf lekker veilig in je vesting zit
ja dan kan je wel zeggen ‘God is mijn burcht’.

– God houdt haar voor eeuwig in stand –
Maar dat zeggen ze nu, achteraf:
als de boze koningen al gevlucht zijn,
als die muren niet over hebben gedurfd.
Daarbinnen zijn ze al veilig, die zijn al gered
en ja dan kan je wel zeggen
‘wij hebben nu gezien wat we altijd al wisten’.

– Ga rondom Sion en trek eromheen –
Je kan wel mooi zeggen dat je op God hebt vertrouwd
als je in een paleis woont, op een berg,
achter een muur, tel de torens,
maar tèl de torens maar eens in deze psalm:
zijn die niet hoog? Zijn die niet veel meer te loven?

     * * *

Toch is dat niet wat er staat.

Want luister nog eens goed:
ze zeggen niet ‘deze burcht is onze god’,
maar ‘God is als onze burcht’.
Kijk eens naar deze torens, zalen,
al deze dode kracht van steen:
die heeft ons niet gered!
God heeft dat gedaan.

En wie is deze God dan?
Niet een god van stenen en torens,
maar: een God van goedertierenheid
geloofd ver buiten deze muren
tot aan de randen van de aarde;
zijn rechterhand is vol gerechtigheid
en zijn daden zijn rechtvaardig.

Hèm hebben zij geloofd in het midden van hun tempel,
hem loven wij hier tussen de muren van onze kerk.

En niet op die muren moeten we vertrouwen
maar door hem moeten we ons laten leiden,
naar zijn recht en goedheid:
want hij, deze God, is onze God,
van geslacht op geslacht,
voor altoos en eeuwig.

Een lied, een psalm van de Korachieten.

Groot is de HEER, hem komt alle lof toe.
In de stad van onze God, op zijn heilige berg
– schone hoogte, vreugde van heel de aarde,
Sionsberg, flank op het noorden,
zetel van de grote koning –
in haar vesting weet men:
God is onze burcht.

Koningen sloten zich aaneen,
samen trokken zij ten strijde.
Maar wat zij zagen, verbijsterde hen,
verschrikt namen zij de vlucht.

Een siddering greep hen daar aan,
zoals krampen een barende vrouw,
zoals de oosterstorm inbeukt
op schepen uit Tarsis.

In de stad van de HEER van de hemelse machten,
in de stad van onze God,
hebben wij gezien wat wij hadden gehoord:
God houdt haar voor eeuwig in stand.     sela

In uw tempel, God,
gedenken wij uw blijken van trouw.
Zoals uw naam, o God, zo reikt ook uw roem
tot aan de einden der aarde,
uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
De Sionsberg verheugt zich,
de steden van Juda juichen
om uw rechtvaardige daden.

Ga rond Sion, trek eromheen,
tel zijn torens.
Bezie met aandacht zijn muren,
bewonder zijn vesting
en vertel aan uw nageslacht:
‘Zo is God,
onze God, nu en altijd,
hij is het die ons leidt, voor eeuwig.’

Psalm 47

Bij Psalm 47 - door Greteke de Vries

Voor Jacob die daar ligt
je lichaam vastgekleefd aan de aarde,
je ziel gebogen in het stof -
voor jou: eigen grond,
jouw erfdeel, jouw verantwoordelijkheid, jouw toekomst, jouw trots.
Niet door strijd verworven
maar ontvangen om wille van jouw vrijheid,
liefdesgeschenk van je G-d.
Zó kun jij Leven:
lós van de machten die jou tot slaaf maken,
lós van wie jouw dood steeds weer zoekt.
Natuurlijk ga je dan zingen en klappen en juichen en jubelen
voor God in de hoge, de Allerhoogste,
koning van de wereld voor eeuwig,
beschermer van wie geen leven gegund is!
En alle vorsten van de volken hebben Gods vrijheid door en doen met Hem mee!
De herinnering alleen al!
Dat het ooit zo zal zijn!

Op eigen grond staan,
wij ook, en ieder mens!
Dát is onze hoop, onze droom!
Klap, juich, zing, bid, lach en bewonder!

beeld: Nice - Frankrijk - Musée National Marc Chagall. 'Noach en de Regenboog' - olieverf op doek - 1961/1966



Psalm 47 is in de synagoge een psalm voor het Joodse Nieuw jaar. Niet somber terug kijken op het oude maar op de hoorn blazen en zingen van het nieuwe leven. Dat breekt helemaal aan wanneer alle volken eindelijk dóór hebben hoe goed het is om te leven onder bescherming van JHWH. In de kerk kan de psalm als Hemelvaartpsalm gelezen worden.

Hoe ziet, voor Gods aangezicht, verlangen er uit naar een post-covid wereld? En hoe kan die droom nú ons denken en voelen, doen en laten beïnvloeden?

Het bijbelse verhaal van de exodus van Israël uit Egypte en het mogen wonen in het door God geschonken (en niet door eigen strijdkracht veroverde) land van melk en honing kan leidend zijn.

Wat mij betreft heeft een hoopvolle toekomst te maken met op éigen grond staan!
Niet langer zijn we louter kuddedieren die elkaar nadoen; we zijn niet gevoelig voor manipulatie om maar niets te hoeven missen van wat hip is en happening; we putten niet langer de planeet uit als slaven in dienst van geld en goed; we hebben geen angst voor mensen en machten die doen of hun woord absoluut is en geen tegenspraak verdraagt.
Op ‘eigen grond staan’ betekent beslist niet: een eigen land of groep of organisatie heilig verklaren en in isolationisme toekomst zien omdat van anderen toch alleen maar narigheid komt.
Op eigen grond staan betekent: volwassen posities durven en kunnen innemen t.o.v. anderen en van alles dat op ons afkomt; we handelen zo verantwoordelijk mogelijk gegeven de omstandigheden, we aanvaarden consequenties daarvan en we schuiven niks af op anderen die we gemakzuchtig als ‘vijanden’ wegzetten.
Op eigen grond staan betekent ook: niets en niemand verheft zich tot een godheid. Het betekent wel: we vertrouwen ons elk op eigen wijze toe aan (heel kort samengevat) God. We kennen onze plaats, weten van afhankelijkheid (hulp) en onvolmaaktheid (steeds weer nieuw begin).
Dat zal een droom zijn!

Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

  Klap in de handen, o volken,
juich God toe met jubelzang:
  geducht is de HEER, de Allerhoogste,
machtige koning van heel de aarde.
  Volken dwong hij voor ons op de knieën,
naties legde hij aan onze voeten.
  Hij koos voor ons een eigen land,
de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft. sela
  Onder gejuich steeg God omhoog,
de HEER steeg op bij hoorngeschal.
  Zing voor God, zing een lied,
zing voor onze koning, zing hem een lied:
  God is koning van heel de aarde.
Zing een feestelijk lied.
  God heerst als koning over de volken,
God zetelt op zijn heilige troon.
  De vorsten van de volken zijn bijeen
in het gevolg van Abrahams God.
Zijn schildwachten zijn ze op aarde.
Hoog is hij verheven.

Psalm 46

Bij Psalm 46 - door Wilken Veen, 6 mei 2020

Deze psalm is vooral bekend geworden door de bewerking van Maarten Luther, het beroemdste lied van de Reformatie: Een vaste burcht is onze God. De verstrengeling van deze psalm met het Lutherlied was zo sterk, dat de NBG (de bijbelvertaling van 1951) als opschrift boven deze psalm zette: Een vaste burcht is onze God. Het Lutherlied is een beetje in diskrediet geraakt door het fanatisme waarmee nationaalsocialistische en ook andere Duitsers het zongen met vooral de nadruk op de laatste regel: ‘Das Reich muss uns doch bleiben’. Om elk misverstand te voorkomen vertaalden Ad den Besten en Jan Wit (LB 898): ‘Gods rijk blijft ons behouden’. En dat deden ze natuurlijk terecht, want wie de hele psalm leest, kan eigenlijk maar tot één conclusie komen: dit is het grote anti-oorlogslied van de Bijbel. Daarom koos ik ook voor de vrije vertaling van deze psalm door Oosterhuis. Omdat hij dat helemaal begrepen heeft en dat in zijn weergave ook laat horen. Einde oorlog! Als een klaroenstoot. Kan prima gezongen worden op vijf mei! Het is niet het krijgslied van degenen die het wel even zullen klaren, maar het lied uit diepten van ellende, dat ondanks alles gelooft in de overwinning van het goede, in de overwinning van God. Het oordeel over de geweldenaar is al geveld, hij weet het alleen zelf nog niet. ‘Gods vijanden vergaan’ was het thema van de feestelijke eredienst in de nieuwe Kerk die Miskotte leidde na de capitulatie van Duitsland en de bevrijding van Nederland. Ook hij heeft geweten, dat het geallieerden (met ook niet altijd even keurige opvattingen over oorlogsvoering – denk aan Dresden) en geen hemelse legermachten waren, die voor de bevrijding hadden gezorgd. Maar dat het Gods vijanden waren, geweldenaren die hoopten de hele wereld te veroveren en het volk van God bijna vernietigd hadden, dat wist hij wel. God is geen superwapen (is helemaal geen wapen, want ‘in God is geen geweld’), maar een toevlucht, een schuilplaats zegt het NBV. In opperste nood vluchten we naar Hem toe, hopen nog even veilig te zijn en geloven dat het geweld van de geweldenaars niet voor eeuwig kan heersen op de aarde.
Ik hoor niet bij degenen die beweren dat de coronacrisis het ergste is wat ons sinds de Tweede Wereldoorlog is overkomen, dat is te klein en te egoïstisch gedacht. Maar een gevaar is het wel degelijk. Mogen we dan ook onze toevlucht zoeken bij God? Ja, dat mogen we, maar niet in de hoop op een wonderbaarlijke verlossing, maar in de hoop, dat het voorbij zal gaan en dat we genoeg van Gods goede schepping houden om alles te doen wat nieuwe uitbraken (ook van andere virussen in de toekomst) kan voorkomen. Groei ten koste van alles blijkt onbedoelde bijwerkingen te hebben. Jaarlijks tientallen miljoenen mensen die (soms zonder echte noodzaak) van hot naar her vliegen en de ideale overbrengers van alle mogelijke virussen en bacteriën zijn, is misschien toch niet al te verstandig. Je toevlucht zoeken tot God is geloven in zijn liefde voor mens en wereld en dus ook op zoek gaan naar hoe wij die liefde kunnen leven.

God onze toevlucht en kracht

De aarde verandert. Hij niet.
Bergen vallen in zee,
zeeën razen en tieren.

Maar Hij is een vaste burcht
een stad op rotsen gevestigd
in tuinen gespreid –
blinkende stromen doorstromen Hem
dwars door zijn midden.

God onze toevlucht en kracht

Hij gaat iets doen.
Hij is als morgenlicht
met een groot voornemen op weg gegaan;

einde oorlog.

Hij heeft de stormwind bevolen
alle wapentuig bijeen te waaien
van waar ook ter wereld –
gigantische belten

Hij steekt er de brand in:
vreugdevuur, hoog laait het op
diep dooft het uit

einde oorlog.

God onze toevlucht en kracht.



Uit: Huub Oosterhuis, 150 psalmen vrij.

Psalm 45

Bij Psalm 45 - door Anneke Nolet, 5 mei 2020

De psalmist begint met een selfie van haar woorden
het zijn juiste hartswoorden die ze voor de koning spreekt
alsof ze goed geschreven zijn.
Dan volgt een loflied waarin de toegesproken koning en God uiteindelijk verstrengeld zijn. Die beweging zal ik niet maken, maar wel een loflied.


Koning, u bent begenadigd,
zoals u met uw volk sprak
– in vrijheid beperkt vanwege corona –
om te herdenken die vielen voor onze vrijheid
toen Duitse tirannie die brak.
U toonde u een luisteraar
naar diepgedrongen leed
U kon de vragen horen
een antwoord niet gereed.
U verstond de ontstane pijn
van in de steek gelaten zijn
te midden van iedereen
afgevoerd zonder protest
en uw grootmoeder gevlucht.
De kwestie laat u niet los:
de verradelijke geleidelijkheid
in het begin leek het zo 'normaal'.

U wees ons niet weg te kijken
de vrije democratische rechtsstaat te verdedigen
niet normaal te maken wat niet normaal is
en vertrouwen te houden in mensen.
Zo zal trouw uw deel zijn.

U bent rijk gezegend met vrouw en dochters
een nieuwe generatie komt op
begenadigd mogen wij leven.

Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van de Korachieten, een kunstig lied. Een liefdeslied.

  In mijn hart wellen de juiste woorden op,mijn gedicht spreek ik uit voor de koning,mijn tong is de stift van een vaardige schrijver.

  U bent de mooiste van alle mensenen lieflijkheid vloeit van uw lippen –God heeft u voor altijd gezegend.

  Gord uw zwaard aan de heup, o held,het teken van uw majesteit en glorie.  Treed op in uw glorie en begin de strijdvoor waarheid, deemoed en recht.Laat uw hand geduchte daden verrichten.  Uw pijlen zijn gescherpt en treffende vijanden van de koning in het hart.Volken vallen dood voor u neer.

  Uw troon is voor eeuwig en altijd, o god,de scepter van het recht is uw koningsscepter,  u hebt gerechtigheid lief en haat het kwaad.Daarom heeft God, uw God, u gezalfdmet vreugdeolie, als geen van uw gelijken.

  Uw gewaden geuren naar mirre, aloë en kaneel,muziek die u verblijdt, klinkt uit ivoren paleizen,  juwelen sieren de dochters van koningen,rechts van u staat de koningin, getooid met goud uit Ofir.

  Luister, dochter, zie en hoor,vergeet uw volk en het huis van uw vader.  Begeert de koning uw schoonheid,buig voor hem, hij is uw heer.  Dochter van Tyrus, met geschenkenzoeken de rijksten van het volk uw gunst.

  Stralend wacht de koningsdochter binnen,van goudbrokaat is haar mantel.  Een kleurige stoet brengt haar naar de koning,in haar gevolg de meisjes, haar vriendinnen.Zij worden naar hem toe gebracht;  begeleid door gejuich en vreugdezanggaan zij het paleis van de koning binnen.

  Uw zonen volgen uw voorouders op,u laat hen heersen over heel het land.  Ik zal uw naam bezingen, geslacht na geslacht,alle volken zullen u prijzen, eeuwig en altijd.

Psalm 44

Bij psalm 44 - door Greteke de Vries - 4 mei 2020

Jacob, jij, Israël,
Ik denk aan je
van exodus tot ballingschap
van Inquisitie tot Shoa.
Verstoten en vernederd ben je,
beroofd, als slachtvee uitgeleverd,
verstrooid, van de hand gedaan als een slaaf,
bespot, gesmaad, gehoond, belachen,
meewarig bekeken, beschaamd en bespot
gesard en met wraakzucht bejegend –
naar de jakhalzen verbannen,
met diepe duisternis bedekt,
gedood, afgevoerd als schapen voor de slacht.

En toch blijf je Jacob van Israëls G-d.
Je roept Hem: Sta op, kom te hulp,
verlos ons omwille van uw trouw.
Heb ons lief als onze voorouders.
Onderzoek ons hart of wij dit hebben verdiend.
Verberg u niet, vergeet ons niet.
Richt mijn ziel op uit het stof,
mijn lichaam dat aan de aarde is vastgekleefd.
Jacob, bij jouw ellende valt alles van nu in het niet.
Bij jouw geloof val ik sprakeloos stil.

  Voor de koorleider. Van de Korachieten, een kunstig lied.

  God, met eigen oren hebben wij het gehoord,
onze voorouders vertelden het ons door:
de daden die u verrichtte in hun dagen,
in de dagen van weleer.
  Om hén te planten hebt u volken verdreven,
naties verslagen om ruimte te geven aan hén.
  Zij verkregen het land niet met het zwaard,
niet hun eigen kracht heeft hen gered,
maar uw rechterhand, uw arm,
het licht van uw gelaat. U had hen lief.
  U, God, bent mijn koning,
u beveelt de redding van Jakob.
  Met u stoten wij onze belagers neer,
met uw naam vertrappen wij onze tegenstanders.
  Het is niet mijn boog waarop ik vertrouw,
niet mijn zwaard dat mij redt,
  u hebt ons gered van onze belagers,
u liet onze haters beschaamd staan.
  God, wij loven u dag na dag,
uw naam zullen wij altijd prijzen. sela
  Toch hebt u ons nu verstoten en vernederd:
u trok niet ten strijde met onze legers,
  u deed ons wijken voor onze belagers,
onze haters roofden ons leeg.
  U hebt ons als slachtvee uitgeleverd,
ons onder vreemde volken verstrooid,
  u hebt uw volk van de hand gedaan,
veel bracht de verkoop u niet op.
  U hebt ons het mikpunt van spot gemaakt,
onze naburen smaden en honen ons,
  u hebt ons bij de volken belachelijk gemaakt,
ze schudden meewarig het hoofd.
  Heel de dag moet ik mijn schande dragen,
het schaamrood bedekt mijn gezicht
  als ik de vijand hoor spotten en sarren,
hem vol wraakzucht zie staan.
  Dit is ons overkomen, maar wij zijn u niet vergeten,
uw verbond verloochenden wij niet,
  ons hart keerde zich niet van u af,
onze voeten weken niet van uw pad.
  Toch hebt u ons naar de jakhalzen verbannen
en ons met diepe duisternis bedekt.
  Hadden wij de naam van onze God vergeten,
onze handen uitgestrekt naar een vreemde god,
  zou God dit niet hebben ontdekt?
Hij kent de geheimen van ons hart.
  Toch worden wij dag na dag om u gedood
en afgevoerd als schapen voor de slacht.
  Word wakker, Heer, waarom slaapt u?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.
  Waarom verbergt u uw gelaat,
waarom vergeet u onze ellende, onze nood?
  Onze ziel ligt neergebogen in het stof,
ons lichaam vastgekleefd aan de aarde.
  Sta op, kom ons te hulp,
verlos ons, omwille van uw trouw.

Psalm 42/43

Bij psalm 42 en 43 (veelal al één psalm gezien) - door Greteke de Vries

Nee, zo erg is het niet.
Geen uitgeputte hinde ben ik,
prooi voor de jagers,
niet smachtende naar God,
beschermer van hart en ziel –
maar wel ben ik vol verlangen
om te naderen en te zien
de levende gemeente,
Lichaam van Christus,
in ieders gelaat het Zijne.

Nee, zo erg is het niet
geen tranen bij dag en bij nacht
geen mens die me vraagt:
waar is dan je God?

Maar weemoed vervult wel mijn ziel.
ik herinner me hoe we in een lange stoet de nieuwe paaskaars binnenbrachten,
een vierende gemeente
zingend en lovend de nieuwe dag.

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.


Bedrukt ben ik geworden
in deze wonderlijk vreemde wereld,
niet meer uitbundig, eerder bezorgd.
Maar ik zeg tot mijn ziel
dat zij blijft hopen
dat zij blijft zingen
een gebed tot de God van (mijn) leven.

Nee, ben niet vergeten, ik ga niet gekleed in rouw,
ik word niet geplaagd, niet gehoond door een vijand –
of het moest zijn door de opjagende dood.

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.


Laat uw licht en uw waarheid mij tot gids blijven,
dat zij mij brengen bij u, waar u woont.
Als dat in de kerk is, dan zal ik daar naderen tot de tafel van samen,
tot de ruimte voor lofgezang zal ik weer gaan

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.





  Voor de koorleider. Een kunstig lied van de Korachieten.

  Zoals een hinde smacht
naar stromend water,
zo smacht mijn ziel
naar u, o God.
  Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God,
wanneer mag ik nader komen
en Gods gelaat aanschouwen?
  Tranen zijn mijn brood,
bij dag en bij nacht,
want heel de dag hoor ik zeggen:
‘Waar is dan je God?’
  Weemoed vervult mijn ziel
nu ik mij herinner hoe
ik meeliep in een dichte stoet
en optrok naar het huis van God –
een feestende menigte,
juichend en lovend.

  Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
  en onrustig in mij.
  Vestig je hoop op God,
  eens zal ik hem weer loven,
  mijn God die mij ziet en redt.

  Mijn ziel is bedroefd,
daarom denk ik aan u,
hier in het land van de Jordaan,
bij de Hermon, op de top van de Misar.
  De roep van vloed naar vloed,
de stem van uw waterstromen –
al uw golven slaan
zwaar over mij heen.
  Overdag bewijst de HEER mij zijn liefde,
’s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven.
  Tot God, mijn rots, wil ik zeggen:
‘Waarom vergeet u mij,
waarom ga ik gehuld in het zwart,
door de vijand geplaagd?’
  Mij gaat door merg en been
de hoon van mijn belagers,
want ze zeggen heel de dag:
‘Waar is dan je God?’

  Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
  en onrustig in mij.
  Vestig je hoop op God,
  eens zal ik hem weer loven,
  mijn God die mij ziet en redt.

  Verschaf mij recht, o God,
vecht voor mijn zaak.
Bescherm mij tegen
een liefdeloos volk, vol list en bedrog.
  U bent toch mijn God, mijn toevlucht,
waarom wijst u mij af,
waarom ga ik gehuld in het zwart,
door de vijand geplaagd?
  Zend uw licht en uw waarheid,
laten zij mij geleiden
en brengen naar uw heilige berg,
naar de plaats waar u woont.
  Dan zal ik naderen tot het altaar van God,
tot God, mijn hoogste vreugde.
Dan zal ik u loven bij de lier,
God, mijn God.

  Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
  en onrustig in mij.
  Vestig je hoop op God,
  eens zal ik hem weer loven,
  mijn God die mij ziet en redt.

Psalm 41

Bij psalm 41 - door Greteke de Vries

Bericht op de voorpagina van Kerk in Mokum, mei 2020, “Met ‘koffiefiets’ langs daklozen”. Straatpastor Hanna Wapenaar met een hulp brengt eten en koffie naar daklozen.

Geprezen ben jij, Hanna Wapenaar,
Jij die zorgt voor de daklozen in de stad, koffie rondbrengt en broodjes, jij die vraagt wat ze nodig hebben, jij die met ze praat in de rij van de opvang, in het park en op straat.

Moge God je daarbij beschermen en je in leven houden, jij wordt geëerd in heel de Kerk in Mokum!

Mocht je ziek worden – moge God dat verhoeden – dan kan het toch niet anders dat jíj weer herstelt!

Maar nu: wie is ‘ik’, ziek en zondig, wie zoekt genade van de Heer?
Wat een vijandigheid treft deze mens.
Misschien spreekt hier een dakloze
aan wie geen leven gegund wordt.
Moet hij of zij ophoepelen,
verjaagd van een veilige plek;
spreekt iemand meelevende woorden
maar achter z’n rug hoort ‘ie fluisteren: waardeloos, zo’n looser van een mens!
Een vrouw haar beste vriend, die zij vertrouwde, keerde zich af,
haar maatje met wie ze haar brood deelde ziet haar nu niet meer staan.

Ja, zo iemand is kwaad, vraag om kracht, wil opstaan om zijn vijand op de bek te slaan.

Wanneer Hanna hem rust geeft, haar niet in de steek laat, wanneer Hanna hulp geeft en haar mensen vertrouwt – zullen zij dan weten dat God hen lief heeft, dat zij thuis zijn bij de Heer?

Geprezen zij de Eeuwige, de God van Israël
en alle mensen als Hanna in Gods naam –
voor altijd! Amen

  Voor de koorleider. Een psalm van David.

  Gelukkig wie zorgt voor de armen;
in kwade dagen zal de HEER hem uitkomst geven,
  de HEER zal hem beschermen en in leven houden,
men prijst hem gelukkig in het hele land.
‘Lever hem niet uit aan zijn vijanden!’
  Op zijn ziekbed zal de HEER hem tot steun zijn.
‘Hoe lang hij ook ziek ligt, u keert zijn lot ten goede.’

  Ik zeg: ‘HEER, wees mij genadig,
genees mij, ik heb tegen u gezondigd.’
  Mijn vijanden verwensen mij, ze zeggen:
‘Wanneer sterft hij en verdwijnt zijn naam?’
  Wie mij bezoekt, heeft mooie woorden,
maar zijn hart is vol kwade gedachten;
staat hij buiten, hij spreekt ze uit.

  Wie mij haten hopen het ergste voor mij
en fluisteren aan mijn bed tegen elkaar:
  ‘Een dodelijke kwaal heeft hem geveld,
wie zo ziek ligt, staat nooit meer op.’

  Zelfs mijn beste vriend,
op wie ik vertrouwde, die at van mijn brood,
heeft zich tegen mij gekeerd.

  Toon mij, HEER, uw genade en laat mij opstaan,
dan zal ik hun geven wat ze verdienen.

  Hieraan zal ik weten dat u mij liefhebt:
als mijn vijand niet langer juicht,
  als u mij bijstaat, omdat ik onschuldig ben,
en mij voorgoed laat wonen in uw nabijheid.

  Geprezen zij de HEER, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Amen, amen.

Psalm 40

Bij psalm 40 - door Greteke de Vries (30 april 2020)

Dit zijn de dagen van bezinning op Vrijheid

Twee definities, in volgorde van bijval door een groot publiek:
Vrijheid is kunnen kiezen wat je wilt doen (premier Rutte)
Vrijheid is met rust gelaten worden (zoon van Denker des Vaderlands Daan Roovers)

(Trouw, 30 april, De Verdieping pg 4)


Ja, ja, dat alles klopt wel onder gewone omstandigheden.
Als je tamelijk kortzichtig bent.
Maar waar is de érnst van het tegengestelde
en wie verstaat dat vrijheid gegéven wordt?

Ik vraag het me af:
wie is vandaag aan het woord?
Wie lag in die kuil van een graf, zat vast in die modder, dat slijk dat traag maakt en vuil?
Wie werd eruit getrokken, op een rots gezet, weer stevig op zijn / haar voeten?
Ik denk aan de kampen, beheerst door geweld.
Iedere vrijheid ontnomen, het leven een hel.

Bevrijd zijn, veerkrachtig en weer kunnen zingen – een godswonder dat dat mogelijk is.
Dat weten voegt toe aan een reservoir van vertrouwen,
van hoop op – samengevat – God.

Gelukkig wie vertrouwt op Gods gerechtigheid,
die niet meedoet met wie z’n eigen hachje redt, die niet z’n eigen ding wil doen, de ander missen kan.
Hun vrijheid is niet betrouwbaar, die verandert met het tij.

Vrijheid is welbeschouwd een wonder.
Wie z’n leven heeft moeten offeren,
wie alles heeft moeten geven om te kunnen blijven bestaan - die mag het vertellen, als ‘ie kan.
Die komt voor in het boek van het leven,
in Gods bevrijdend woord dat betrouwbaar is en echt.

Nog altijd klinken hun verhalen, nog wel,
op scholen en in de krant.
Zij móesten gaan spreken over onrechtvaardigheid en haat,
zij weten van goedheid en trouw en hulp, sommigen noemen dat, liefdevol, Onze Hulp.

En nu rampen opnieuw ons omringen,
de zonden van de wereld ons achtervolgen,
nu moed in de schoenen zinkt en niemand nog weet hoe dit stopt,
nu kunnen wij die van niets weten
vrijheid dieper leren verstaan.

God aanroepen, bij God geluk zoeken
die zal ondanks schande, ongeluk, schaamte en spot kunnen lachen en vrolijk zijn.

Verlossing, ervaren zij, wordt gegéven,
vrijheid is een geschenk, hulp van de Een aan de ander, de Ander aan één, een uitdijend netwerk van samen, hoog en breed.
We zijn op onszelf niet gelukkig en kwetsbaar,
maar van God komt onze hulp, onze vrijheid.

  Voor de koorleider. Van David, een psalm.

  Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht
en hij boog zich naar mij toe,
hij heeft mijn roep om hulp gehoord.
  Hij trok mij uit de kuil van het graf,
uit de modder, uit het slijk.
Hij zette mij neer op een rots,
een vaste grond voor mijn voeten.
  Hij gaf mij een nieuw lied in de mond,
een lofzang voor onze God.
Mogen velen het zien vol ontzag
en vertrouwen op de HEER.
  Gelukkig de mens
die vertrouwt op de HEER
en zich niet keert tot hoogmoedigen,
tot hen die verstrikt zijn in leugens.
  Veel wonderen hebt u verricht,
veel goeds voor ons besloten,
HEER, mijn God.
Niemand is te vergelijken met u!
Wil ik erover spreken, ervan verhalen,
het is te veel om op te sommen.
  Offers en gaven verlangt u niet,
brand- en reinigingsoffers vraagt u niet.
Nee, u hebt mijn oren voor u geopend
  en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’
  Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.
  Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid,
ik houd mijn lippen niet gesloten,
u weet het, HEER.
  Ik zwijg niet over uw goedheid,
maar getuig van uw trouw en uw hulp.
In de kring van het volk verheel ik niet
hoe liefdevol, hoe trouw u bent.
  U, HEER,
u weigert mij uw ontferming niet,
uw liefde en uw trouw
zullen mij steeds bewaren,
  ook nu rampen mij omringen,
talloos vele,
nu mijn zonden mij achtervolgen
en ik geen uitweg zie,
nu ze talrijker zijn dan de haren op mijn hoofd
en de moed mij is ontzonken.
  Wil uitkomst brengen, HEER,
HEER, kom mij haastig te hulp.
  Laat beschaamd en vernederd worden
wie mij naar het leven staan,
met schande terugwijken
wie mijn ongeluk zoeken,
  van schaamte verstommen
wie de spot met mij drijven.
  Wie bij u hun geluk zoeken
zullen lachen en vrolijk zijn,
wie van u hun redding verwachten
zullen steeds weer zeggen:
‘Groot is de HEER.’
  Ik ben arm en zwak,
Heer, denk aan mij.
U bent mijn helper, mijn bevrijder,
mijn God, wacht niet langer.

Psalm 39

Bij psalm 39 - door Greteke de Vries

Nieuwsberichten melden dat de schuld van corona overal ter wereld wordt gelegd bij joden, antisemitisme groeit.
In de psalmen kan ‘ik’ gelezen worden als deel van een geheel, van één die het hele joodse volk vertegenwoordigt.



Voor Jedutun, die de lofzingt van de Eeuwige?
Zo’n heerlijk lied is dit anders niet!

Ik wilde niet spreken, me niet verweren,
niet terugschelden, uit mijn mond geen reactie op al die berichten van mensen zonder
god of gebod.
Ik zei dan ook niets, ik schreef geen woord,
ik zweeg. Maar dat deed me geen goed.
Ik voelde van binnen een steeds heviger pijn.
Het brandde in mijn binnenste,
een vuur van woede en angst laaide in mij op.
Toen ging ik toch maar spreken.

Niet dat gespuis maar Gij gaat over mijn einde,
Gij en niet zij bepalen hoelang of ik leef,
mijn vergankelijkheid is alleen in Uw hand!
Ja, ik leef kort als een ander,
niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, maar daar gaat het nu niet om,
Ik wil van U horen wat mijn lot is.
Mijn hoop is alleen gevestigd op U.
Natuurlijk bega ik overtredingen,
ik hoop dat U ze me niet te zeer aanrekent.
Maar bespaar mij het haat zaaien van al die dwazen, hun beledigingen tot op het bot.
Nee, ik zei niets, opende mijn mond niet.
Omdat ik bij U hoor doen ze mij dit aan.

Nu roep ik:
Houd Gij hen toch tegen met hun kwellingen!
Ik bezwijk onder de slagen van hun hand.
Liever ontvang ik van U straf voor mijn ongerechtigheid,
liever neemt Gij maar alles van mij weg,
ben ik niets voor U
dan dat ik kapot ga door hun kwaadaardig gebral.

Hoor mijn bidden, Adonai,
Luister naar mijn geroep om hulp tegen die complotdenkers,
wees niet doof voor mijn verdriet vanwege de nieuwe golf van haat.

Zeker, ik ben een vreemdeling op aarde,
bij U te gast, op weg naar Huis
zoals ook mijn voorouders, van geslacht tot geslacht.
Wend Gij Uw blik niet van mij af en straf hén!
Dan beleef ik misschien nog enige vreugde
voordat ik heenga en niet meer ben.

Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David.

  Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor zonde behoeden,
mijn mond met een muilband bedwingen
te midden van mensen zonder God of gebod.
  En ik zei dan ook niets, geen woord,
ik zweeg en vond geen verlichting,
ik voelde steeds heviger pijn.
  Het brandde in mijn binnenste,
bij mijn zuchten laaide een vuur op
en mijn tong begon te spreken:

  ‘Geef mij weet van mijn einde, HEER,
van de maat van mijn levensdagen,
laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.
  U maakte mijn dagen een handbreed lang,
mijn levensduur is niets in uw ogen,
niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela
  niet meer dan een schaduw zijn levenspad,
niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt,
hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’
  Wat heb ik dan te verwachten, Heer?
Mijn hoop is alleen op u gevestigd.
  Bevrijd mij van al mijn zonden,
bespaar mij de hoon van dwazen.
  Ik zei niets, opende mijn mond niet,
want u was het die mij dit alles aandeed.

  Houd op mij nog langer te kwellen,
ik bezwijk onder de slagen van uw hand.
  U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde,
als een mot vreet u weg wat hij begeert,
niet meer dan lucht is een mens. sela
  Hoor mijn gebed, HEER,
luister naar mijn hulpgeroep,
wees niet doof voor mijn verdriet,

want een vreemdeling ben ik, bij u te gast
zoals ook mijn voorouders waren.
  Wend uw straffende blik van mij af,
dan beleef ik nog vreugde
voordat ik heenga en niet meer ben.

Psalm 38

Bij Psalm 38 - door Greteke de Vries

Reactie op religieuze beweringen van allerlei snit dat God met corona de wereld straft.

beeld: Rev. Steven Andrew is auteur van onder
andere het boek 'Jesus Makes America Great –
God’s Way to Be Safe, Strong and Prosperous'.

Hij beweert: "National disobedience
of God's laws brings diseases such as the
coronavirus"

Dit is wat zij mij zeggen, dat ik tot u bidden moet:
of u niet langer vertoornd wil zijn, mij niet straft,
niet woedend meer bent en ophoudt mij te slaan.
Ze zeggen dat u het bent die mij raakt met uw pijlen – als was u een strijder uit de oudheid! -
dat uw hand op mij drukt vanuit omhoog
-als was u een kwelgeest, met macht over mij.
Ze zeggen dat het mijn eigen schuld is,
dat ik mijn last die ik nauwelijks aan kan
moet dragen.
Ze zeggen dat dit de consequenties zijn van mijn onverstandig gedrag.

Nu loop ik gebogen, méér dan depressief,
onophoudelijk ben ik in de rouw.
Ik raak zo ongeveer uitgeput, ik ben kapot
m’n hart gaat te keer en ik schreeuw het uit:
U, die zij Heer noemen,
die alles van mij schijnt te weten
voor wie mijn benauwdheid niet verborgen is:
weet dan ook maar dat mijn hart een infarct krijgt,
mijn energie laat mij totaal in de steek!
Mijn liefste vrienden gaan mij uit de weg,
mijn naasten houden zich verre van mij.
En zij die alles zo goed weten lokken mij in de val;
met dreigende taal preken zij mijn onheil,
ze verspreiden leugens over mij dag in en dag uit.

Maar ik wíl niet luisteren naar onheilsprofeten.
Ik reageer met geen woord, voor hen ben ik doof,
tegen hen verdedig ik mij niet.

Heer, dan tóch maar, dezelfde? een ander?
op u richt ik mijn hoop, van u verwacht ik antwoord.
Ik wil niet dat ze om mij lachen
vroom triomferen nu ik niet staande blijf.
Ik ben de ondergang nabij, ik heb pijn en ja,
ik zal schuld belijden,
ik lijd onder de gevolgen van mijn uitbundig gedrag.

Zal het zo zijn dat mijn vijanden leven,
die sterk zijn, met velen en blind van haat
tegen al het goede van mij, deze wereld?
Die ook het goede beschouwen als kwaad?

Verlaat mij niet, Heer,
mijn God, blijf niet ver van mij.
Haast u mij, uw schepping, te helpen,
Heer, bent u dan mijn redding?

Een psalm van David, een dringend gebed.

  Wees niet vertoornd, HEER, straf mij niet,
bedwing uw woede, sla mij niet.
  Diep zijn uw pijlen in mij gedrongen,
zwaar is uw hand op mij neergedaald.
  Door uw toorn is niets aan mijn lichaam nog gaaf,
door mijn zonden is niets van mijn gebeente nog heel.
  Mijn schuld steekt hoog boven mij uit,
als een zware last, te zwaar om te dragen.
  Mijn wonden zweren en stinken
vanwege mijn lichtzinnig leven.
  Ik loop gebogen, diep gebukt,
ik ga in het zwart gehuld, dag in dag uit.
  In mijn lendenen woedt de koorts,
niets aan mijn lichaam is nog gaaf,
  ik ben uitgeput, gebroken,
met bonzend hart schreeuw ik het uit.
  Heer, al mijn verlangens zijn u bekend,
mijn zuchten is u niet verborgen,
  mijn hart gaat tekeer, mijn kracht ebt weg,
mijn ogen verliezen hun glans.
  Mijn liefste vrienden ontlopen mijn leed,
wie mij na staan, houden zich ver van mij.
  Mijn belagers lokken mij in de val,
wie mijn ongeluk willen, spreken dreigende taal,
dag in dag uit verspreiden ze leugens.
  Maar ik houd mij doof en wil niet horen,
ik doe als een stomme mijn mond niet open,
  ik ben als iemand die niet kan horen,
geen verweer komt uit mijn mond.
  Want op u, HEER, hoop ik,
van u komt antwoord, mijn Heer en mijn God.
  Ik denk: Laten ze niet om mij lachen,
niet triomferen nu mijn voet wankelt.
  Want ik ben de ondergang nabij
en altijd vergezelt mij de pijn.
  Ik wil u mijn schuld belijden,
door mijn zonden word ik gekweld.
  Maar mijn vijanden leven, zij zijn sterk,
zij zijn met velen en blind is hun haat.
  Ze vergelden goed met kwaad
en vallen mij aan, al zoek ik het goede.
  Verlaat mij niet, HEER,
mijn God, blijf niet ver van mij.
  Haast u mij te helpen,
Heer, u bent mijn redding.

Psalm 37

Bij Psalm 37 - door Greteke de Vries

Oké, erger je niet
en blijf kalm.
Maar hoe vaak wil je het nog herhalen
dat jij het zo hebt ervaren:
de zondaar zal door eigen slechtheid sterven en
de rechtvaardige leven door vertrouwen op de Heer?
Het klinkt als boontje komt om z’n loontje,
eerlijk duurt het langst,
berouw komt na de zonde
het kwaad straft zichzelf…
Maar overzichtelijk schematisch
zo is het leven niet!
En is zo’n onderscheid nog houdbaar
nu wij allen schuldig zijn?
Grondstof wordt gedolven, bushmeat gegeten,
virus overgedragen, rondgevlogen
met de snelheid van het licht?
Zonder zonde zijn alleen zij die nog niet geboren zijn
Bezitlozen zijn rechtvaardig.
Moge zij gered worden en schuilen bij God….
….maar liefst toch iedereen!

Erger je niet aan slechte mensen,
wees niet jaloers op wie kwaad doen,
zij verdorren snel als gras,
zij verwelken als het jonge groen.

Vertrouw op de HEER en doe het goede,
bewoon het land en leef er veilig.
Zoek je geluk bij de HEER,
hij zal geven wat je hart verlangt.
Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op hem, hij zal dit voor je doen:
het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.
Blijf kalm en wacht op de HEER,
erger je niet aan wie slaagt in het leven,
aan wie met listen te werk gaat.
erger je niet, dat brengt maar onheil.
Slechte mensen worden verdelgd,
wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.
Nog even, en verdwenen is de zondaar,
je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.
Wie nederig zijn, zullen het land bezitten
en gelukkig leven in overvloed en vrede.
De zondaar belaagt de rechtvaardige
met een grijns op zijn gezicht.
Maar de Heer lacht hem uit
en ziet de dag al van zijn ondergang.
Zondaars trekken hun zwaard
en spannen hun boog,
om zwakken en armen te doden,
om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.
Maar het zwaard dringt in hun eigen hart
en hun bogen worden gebroken.
Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft
dan de rijkdom van talloze zondaars.
De macht van de zondaars wordt gebroken,
maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.
De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,
hun bezit blijft voor eeuwig behouden.
Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,
in tijden van hongersnood hebben zij te eten.
De zondaars zullen ten onder gaan,
de vijanden van de HEER verdwijnen
als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.
De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
Gods gezegenden zullen het land bezitten,
de vervloekten worden verdelgd.
Wie de HEER welgevallig is,
mag zijn weg gaan met vaste tred.
Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,
want de HEER richt hem op.
Ooit was ik jong, nu ben ik oud,
en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,
nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;
hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,
voor zijn kinderen is hij een zegen.
Mijd het kwade en doe het goede,
en je zult voor eeuwig wonen in het land,
want de HEER heeft gerechtigheid lief,
wie hem trouw zijn, verlaat hij niet.
Zij blijven voor eeuwig behouden,
maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.
De rechtvaardigen zullen het land bezitten
en het bewonen, hun leven lang.
De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,
zijn tong spreekt gerechtigheid,
hij draagt de wet van God in zijn hart
en zijn voeten struikelen niet.
De zondaar loert op de rechtvaardige
en zoekt een kans om hem te doden,
maar de HEER laat zijn dienaar niet los:
wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.
Vestig je hoop op de HEER
en blijf op de weg die hij wijst,
hij zal je aanzien geven en grondbezit,
je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.
Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,
hij groeide uit als een woekerende laurier;
op een dag was hij verdwenen,
ik zocht hem en ik vond hem niet.
Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:
wie vredelievend zijn hebben de toekomst.
Maar zondaars worden verdelgd,
er is geen toekomst voor een slecht mens.
De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,
hij is hun toevlucht in tijden van nood.
De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,
hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, hij redt hen,
want zij schuilen bij hem.

Psalm 36

Bij Psalm 36 - door Greteke de Vries

Hebzucht is het, in al zijn vezels,
hij is voor niets en niemand bang,
zijn verlangen naar meer is groter dan zijn geweten
hij snapt niet wat medemenselijkheid is
hoe ik het nu heb – het scheelt hem geen zier.

“Je moet betalen, je zorgt er maar voor!”
in plaats van: “Ik snap je, voorlopig bereken ik niks.”
Als hij in bed ligt bedenkt hij nóg plannen
hij dreigt mij met boetes, incasso, gerecht.

Lieve Heer, ik hoorde: u bent zó anders!
Uw liefde, uw trouw als de hemel zo hoog,
en als bergen en oceanen uw gerechtigheid.
Dus kom mij toch redden, mijzelf en m’n hond!

Hoe belangrijk juist nu is voor ons uw erbarmen,
mensen schuilen bij u en ik ook -
u knijpt ons niet uit, genereus wilt u schenken,
een vrolijk hart geeft u, de kwetsbare geen stress.

Met úw ogen beschouw ik mijn situatie,
door u krijg ik weer levensmoed.

Ons, die hard geraakt zijn, zonder werk, of failliet,
Toon ons rechtvaardigheid, dat wij weer léven.

Laat die aso mij niet te grazen nemen,
die goddeloze mij niet verjagen uit mijn veilige huis.
Dat hij die mij kwaad doet zélf onderuit gaat,
een klap krijgt waar hij niet van herstelt.

Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER.

  De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart –
angst voor God kent hij niet.
  De zonde sust zijn geweten in slaap –
geen besef van schuld, geen afkeer van het kwaad.
  Hij spreekt woorden van onheil en bedrog
en blijft ver van wat wijs en goed is,
  op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen,
hij betreedt een verkeerde weg
en het kwade verwerpt hij niet.
  HEER, hoog als de hemel is uw liefde,
tot in de wolken reikt uw trouw,
  uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:
u, HEER, bent de redder van mens en dier.
  Hoe kostbaar is uw liefde, God!
In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen,
  zij laven zich aan de overvloed van uw huis,
u lest hun dorst met een stroom van vreugden,
  want bij u is de bron van het leven,
door úw licht zien wij licht.
  Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde,
aan de oprechten van hart uw gerechtigheid.
  Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen,
de hand van goddelozen mij niet verjagen.
  Daar liggen zij die verderf zaaiden – gevallen,
neergestoten, zonder kracht om op te staan.

Psalm 35

Bij Psalm 35 - door Greteke de Vries

De verwachting is dat de anti-Corona-maatregel om zoveel mogelijk thuis te blijven leidt tot 10.000 meer scheidingen dan normaal.

Het is er maar één en dat is erg genoeg.
Ik zoek hulp in m’n strijd, kom mij toch helpen,
Stel mij gerust dat ik er niet alleen voor sta!
Maak jij hem te schande, verneder hem
Die mij naar het leven staat,
Dat hij die mij kwaad wil doen eindelijk terug deinst en stopt!

Nee, laat hem verdwijnen als kaf in de wind,
Jaag hem op, de stad uit, m’n leven uit,
Stuur toch een kwaaie engel in de nacht
Achter hem aan, zodat hij struikelt en valt.
Hij had geen enkele reden om mij zo te pakken te nemen,
Hij groef een kuil voor mij dat ik viel, maar waarom?
Laat hem zelf maar klem komen te zitten in zijn valstrik,
Donderen in de kuil die hij groef.
Dan zal ik eindelijk weer blij zijn,
Verheugd over de redding die jij brengt.
Dan zal ik zeggen: jij alleen hebt dit gekund,
Geen méns was in staat mij te bevrijden.

Ik ben zwak en hij onderdrukt mij
Hij vertelt leugens over mij rond maar ik
Weet nergens van!
Hij maakt van alle goede dingen een drama
Helemaal alleen ben ik komen te staan.

Is er iets niet goed met hem, dan ga ik na
Bij me zelf of het door mij komt,
Ik probeer van alles voor hem te regelen,
En als dat niet lukt dan probeer ik het nóg beter!
Ik voelde me zo met hem verbonden,
maakte mezelf onzichtbaar, wilde niet opvallen,
alle aandacht voor hem, ik vroeg niets voor mijzelf.

Maar toen het met míj mis ging moest hij lachen,
En zijn vrienden vroeg hij erbij.
Ze kwamen kijken, ze haalden uit met hun vuisten,
Ze wilden me verscheuren, die godvergeten spotters
Met een grijs op hun gezicht.

Hoelang wil jij nog toekijken, jij die redden kan?
Straks zal hij mij nog vermoorden,
Me verslinden als een leeuw.
Stop toch zijn lachen, zijn valse grimas vol leedvermaak,
Zijn haat waarmee hij over mij triomfeert.
Hij weet niet wat vrede is.
Hij blijft maar rot tegen mij doen, mij bespotten.
“Kijk haar eens, dat méns, die idiote trut, die slet, dat wijf!”

Jij hebt het gezien, jij die spreken kan, zwijg dan niet,
Blijf niet moedwillig op afstand maar kom!
Word eens wakker, verdedig mij, vecht voor mijn goed recht!
Als je dat doet zal hij raar staan te kijken,
zich doodschamen en wie het laatst lacht lacht het best.

Zelf zal ik elke dag en overal vertellen
dat jíj mij bevrijd hebt, groot is jouw naam!

Van David.

Bestrijd, HEER, wie mij bestrijden,
vecht tegen wie mij bevechten,
  wapen u, grijp het schild,
sta op om mij te helpen!
  Zwaai met uw speer en strijdbijl
en werp ze naar mijn achtervolgers.
Zeg tegen mij:
‘Ik ben het die je redt.’
  Dat beschaamd en vernederd worden
wie mij naar het leven staan,
dat eerloos terugdeinzen
wie mij kwaad willen doen.
  Laten zij verwaaien als kaf in de wind
wanneer de engel van de HEER hen opjaagt,
  laat hun weg donker en glad zijn
wanneer de engel van de HEER hen vervolgt.
  Zonder reden hebben ze een net gespannen,
zonder reden een kuil voor mij gegraven.
  Laat hen ten onder gaan voor zij het weten,
verstrikt raken in hun eigen netten
en zelf de ondergang tegemoet gaan.
  Dan zal ik juichen om de HEER,
mij verheugen over de redding die hij brengt.
  Uit de grond van mijn hart zal ik zeggen:
‘HEER, wie is aan u gelijk?
U bevrijdt de zwakken van hun onderdrukkers,
de zwakken en de armen van hun uitbuiters.’
  Valse getuigen staan tegen mij op
en vragen mij naar wat ik niet weet.
  Ze vergelden goed met kwaad,
ik voel mij van ieder verlaten.
  Waren zij ziek, ik trok een boetekleed aan,
en bleef mijn gebed onverhoord,
ik pijnigde mij door te vasten.
  Ik liep rond als waren zij vrienden, broers,
ik ging in het zwart gehuld en liep gebogen
als iemand die rouwt om zijn moeder.
  Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich,
ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer,
ze hadden me willen verscheuren,
  die bende godvergeten spotters
met een grijns op hun gezicht.
  Heer, hoe lang nog blijft u toezien?
Behoed mij voor hun moordlust,
red mijn kostbaar leven van die leeuwen.
  Dan zal ik u prijzen in de gemeenschap,
u loven waar heel uw volk bijeen is.
  Gun mijn vijanden, die valsaards, geen leedvermaak,
mijn redeloze haters geen blik van triomf,
  want het woord vrede kennen zij niet,
en tegen de weerlozen in het land
smeden zij bedrieglijke plannen.
  Ze roepen spottend,
hun mond wijd open:
‘Zie hém daar!’
  U hebt het gezien, HEER, zwijg dan niet,
mijn Heer, houd u niet ver van mij.
  Verhef u, ontwaak, mijn God en mijn Heer,
verdedig mij, vecht voor mijn zaak.
  Doe mij recht, HEER, mijn God,
u bent rechtvaardig,
sta niet toe dat ze zich om mij vermaken,
  laat hen niet kunnen denken:
‘Dit is wat we wilden.’
Laat hen niet kunnen zeggen:
‘We hebben hem verslonden.’
  Dat beschaamd staan en vernederd
wie zich verheugen op mijn ondergang.
Dat met schaamte en schande bedekt worden
wie zich boven mij verheffen.
  Dat van vreugde juichen
wie willen dat mij recht wordt gedaan.
Laat hen gedurig mogen zeggen:
‘Groot is de HEER,
vrede wil hij voor zijn dienaar.’
  Van uw gerechtigheid zal mijn tong spreken,
van uw roem wil ik zingen, dag aan dag.
De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.

Psalm 34

Bij Psalm 34 - door Greteke de Vries

Kom kinderen, luister naar mij,
ik leer je respect voor God.
Wat belangrijk is in het leven
onder alle omstandigheden
zal ik je vertellen.

Ik heb het zelf ervaren - verdrukking,
van alles te kort,
bijna werd ik te grazen genomen
door jongens als jonge leeuwen.
Zelfs heb ik een keer moeten doen of ik gek was,
anders had die vent mij niet laten gaan.

Om hulp riep ik naar God en hij hoorde mij.
Ik zeg je:
een engel beschermde mij!
Ik vluchtte naar God en ik merkte
zijn goedheid.
En nu is mijn leven een dankgebed,
wat ik doe en laat is ter ere van God,
een loflied is dagelijks op mijn lippen -
dat geeft moed aan machteloze mensen.

En daarom wil ik dit ook aan jullie vertellen.
Je kunt er heel veel zelf aan doen
om een goed leven te hebben:
spreek geen kwaad, vertel geen onzin,
doe wat juist is,
maak vrede en durf te vragen om hulp.

Toch betekent dit niet
dat het altijd goed met je gaat,
voor ellende word je niet gespaard.

Maar denk niet dat dat dan een straf is,
dat je expres kapot wordt gemaakt,
dat je God moet betalen voor iets dat je
onwetend hebt gedaan.
Vertrouw maar op Gods hulp,
ook al word je zwaar getroffen,
ook al ben je hartstikke bang.

  Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg.

  De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.
  Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER,
de nederigen zullen het met vreugde horen.
  Roem met mij de grootheid van de HEER,
sluit u aan om zijn naam te verheffen.
  Ik zocht de HEER en hij gaf antwoord,
hij heeft mij van alle angst bevrijd.
  Wie naar hem opzien, stralen van vreugde,
schaamte zal hun gezicht niet kleuren.
  In mijn verdrukking riep ik tot de HEER,
hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.
  De engel van de HEER waakt
over wie hem vrezen, en bevrijdt hen.
  Proef, en geniet de goedheid van de HEER,
gelukkig de mens die bij hem schuilt.
  Vromen, heb ontzag voor de HEER:
wie hem vreest lijdt geen gebrek.
  Jonge leeuwen lopen hongerig rond,
wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets.
  Kom, kinderen, luister naar mij,
ik leer je ontzag voor de HEER.

  Hebben jullie het leven lief,
wil je goede jaren genieten?
  Behoed dan je tong voor het kwaad,
je lippen voor woorden van bedrog.
  Mijd het kwade, doe wat goed is,
streef naar vrede, jaag die na.
  Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen,
zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.
  Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan,
hij wist hun namen op aarde uit.
  De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen,
hij bevrijdt hen uit de nood,
  gebroken mensen is de HEER nabij,
hij redt wie zwaar wordt getroffen.

  Al blijft de rechtvaardige niets bespaard,
de HEER zal hem steeds weer bevrijden.
  Hij waakt zelfs over zijn beenderen,
niet één ervan wordt verbrijzeld.
  Een slecht mens komt om door eigen kwaad,
wie een rechtvaardige haat zal boeten,
  de HEER redt het leven van zijn dienaren,
nooit zal boeten wie schuilt bij hem.

Psalm 33

Bij Psalm 33 - door Greteke de Vries

“Muziek geeft plezier, hoop en
een gevoel van ‘samen’ –
en dat hebben we juist nu nodig.”(1)

“Muziek toont onze gevoelens.
Niet alleen over wat er in Moria gebeurt
maar in veel meer kampen
waar mensen deze dagen doodsbang zijn voor
het corona virus. We zingen
met de dokters mee:
we promised to do everything to save human lives.” (2)

Dit is het juichen van de rechtvaardigen,
het loven van de oprechten.

Volken maken plannen die niet deugen,
machthebbers willen winnen met illusies en grof geschut.
Maar God verijdelt, doorziet listen en lagen,
de daden van onrechtvaardige leiders heeft hij door.

Wie daarvan zingt huldigt de Heer.
Die zingt en speelt voor God
een ander dan het bekend liedje.

Onze hulp en onze bescherming is
oprechtheid en betrouwbaarheid,
recht, gerechtigheid en trouw,
besef dat niet wij het waren die alles maakten,
voorzichtigheid en vrees voor wat wij vernietigen kunnen
en dat terugslaat op ons zelf.
Ons hart is niet gericht op kortstondig succes maar
op wat stand houdt van
geslacht op geslacht.

Waar dát gebeurt, dáár gebeurt God.
Naar Hem gaat ons verlangen uit,
op Haar gericht is onze hoop.

Zing en speel, juich
en loof God tevoorschijn
als we samen doen wat we zingen:
“we promised to do everything to save human lives.”

(1) Website Corona Concerten
(2) Nawras Al Taky& Dyar Band reageert met een lied op de actie SOS Moria. Onder die titel vragen artsen de aandacht voor vluchtelingenkampen in Griekenland waar het nu extra onveilig is. De meer dan 40.000 mensen op een klein oppervlak lijden nu al aan mentale en fysieke trauma’s, des te meer nu het virus daar niet gecontroleerd kan worden. De artsen en de zanger met zijn band roepen de leiders van Nederland/Europa op om afspraken uit 2016 eindelijk na te komen.

Juich, rechtvaardigen, voor de HEER,
de oprechten moeten hem loven.
Huldig de HEER bij de klank van de lier,
speel voor hem op de tiensnarige harp.
Zing voor hem een nieuw lied,
speel en zing met overgave.
Oprecht is het woord van de HEER,
alles wat hij doet is betrouwbaar.
Hij heeft recht en gerechtigheid lief,
van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.
Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,
door de adem van zijn mond het leger der sterren.
Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,
hij bergt de oceanen in schatkamers weg.
Laat heel de aarde vrezen voor de HEER,
en wie de wereld bewonen hem duchten,
want hij sprak en het was er,
hij gebood en daar stond het.
De HEER doet de plannen van volken teniet,
hij verijdelt wat naties beramen,
maar het plan van de HEER houdt eeuwig stand,
wat hij beraamt, blijft van geslacht tot geslacht.
Gelukkig het volk dat de HEER als zijn God heeft,
de natie die hij verkoos als de zijne.
Uit de hemel ziet de HEER omlaag
Vanaf zijn troon houdt hij het oog
op allen die de aarde bewonen.
Hij die de harten van allen vormt,
hij doorziet al hun daden.
Koningen winnen niet door een machtig leger,
brute kracht redt krijgsheren niet.
Van geen nut zijn paarden voor de overwinning,
hoe sterk ook, ze bieden geen uitkomst.
Het oog van de HEER rust op wie hem vrezen
en hopen op zijn trouw:
hij zal hen redden in doodsgevaar,
bij hongersnood zal hij hun leven sparen.
Wij verwachten vol verlangen de HEER,
hij is onze hulp en ons schild.
Ja, om hem is ons hart verblijd,
op zijn heilige naam vertrouwen wij.
Schenk ons uw trouw, HEER,
op u is al onze hoop gevestigd.

Psalm 32

Bij Psalm 32 - door Anneke Nolet

n.a.v. Corona-persconferentie 21-04-2020v

Een kunstige onderwijzing

In het ongewisse gaan
zoeken wat wijs is
feiten in ogenschouw nemen
de eigen kleur verloochenen
de zaak gaat voorop.
En wat of wie bepaalt die dan?

Gelukkig zij die durven gaan
zich toevertrouwend
wetend dat aangerekend zal worden
en toch...

Gij die leven geeft
vergeef dragers de miskleunen
geef ruimhartig uw inzicht
bevrijd hun gaan
leert gij hen onderwijzen
ons allen de kunst te verstaan.

Van David, een kunstig lied.

Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven, van wie de zonden worden bedekt.
Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt, als in zijn geest geen spoor van bedrog is.

Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag.
Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte.

Toen beleed ik u mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ –
en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld.

Laten uw getrouwen dus tot u bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen niet bereiken.

Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood
en omringt mij met gejuich van bevrijding.

‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan.
Ik geef raad, op jou rust mijn oog.
Wees niet redeloos als paarden of ezels
die met bit en toom worden bedwongen,
dan zal geen kwaad je treffen.’

Een slecht mens heeft veel leed te verduren,
maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd.
Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich,
zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.

Psalm 31

Bij Psalm 31 - door Greteke de Vries

Met veel respect voor oogarts Li Wenliang uit Wuhan; dr Anthony Fauci van de CoronavirusTaskforce in de V.S. en Paula Reid, journalist van CBS Network.

Schuilen wil ik
bij wie mij niet te schande maakt;
een toevlucht zoek ik bij
wie mij recht doet, mij beschermt;
ontsnappen wil ik uit het net
dat voor mij gespannen is, door hen

die mijn vijanden zijn geworden,
mij in het nauw drijven
mij willen laten struikelen.

Trouwe God, verlost u mij?

Ze lachen om mij,
zelfs zij bij wie ik thuis was
zij kenden mijn reputatie
maar nu wenden zij zich van mij af
gaan mij uit de weg -
afgedankt als gebroken aardewerk ben ik.

Ik hoor ze over mij fluisteren.
Van alle kanten dreigt gevaar.

Ze zeiden: er is geen reden tot zorg,
we hebben alles onder controle.

Toen moest ik mij melden bij de politie wegens
het verspreiden van geruchten, het verstoren van
de sociale orde.
Ze waarschuwden mij ernstig: als
je koppig bent, weigert spijt te betuigen en
doorgaat met illegale acties, word je gestraft.
En nu: afgedaald ben ik in het dodenrijk.
Zij zeggen: hij heeft zich opgeofferd in de strijd.

Heb erbarmen, Heer,
Want ik verkeer in nood.

Ze schreven dat ik de meest vertrouwde man was
van het land,
nu beschuldigen ze mij van nationale zelfmoord.
Ik zocht geen ruzie maar vertelde kale feiten,
sprak van uiterst besmettelijk en gruwelijk dodelijk,
zij luisterden niet, ik kreeg gelijk.
Ze zeggen: hij ondergraaft ’t gezag,
nu wordt er geroepen om mijn ontslag.

Heb erbarmen, Heer,
Want ik verkeer in nood.

Hij zei dat híj de absolute macht had
en riep op tot bevrijding, als was ik de tiran
Zij die de ernst onderschatten
hebben zich tegen mij gekeerd met
leuzen en protesten,
domheid verwarren zij met moed.

Hij zei dat ik medewerkster was van
een fake news netwerk,
hij ridiculiseerde mij, hoonde mij weg
hij waste mij de oren om een vraag.

Heb erbarmen, Heer,
Want ik verkeer in nood.

Behoedt u de standvastigen,
rekent u af met de hoogmoedigen?

Mijn vrienden zeggen het mij
die hoop houden op kennis en integriteit:
wees sterk en houd moed.

Maar ik blijf bang en voel me verbannen.

Heb erbarmen, Heer,
Want wij verkeren in grote nood.

Voor de koorleider. Een psalm van David.

Bij u, HEER, schuil ik,
maak mij nooit te schande.
Bevrijd mij en doe mij recht,
hoor mij,
haast u mij te helpen,
wees voor mij een rots, een toevlucht,
een vesting die mij redding biedt.
U bent mijn rots, mijn vesting,
u zult mijn gids zijn, mij leiden, tot eer van uw naam,
mij losmaken uit het net dat voor mij is gespannen,
u bent mijn toevlucht.
In uw hand leg ik mijn leven,
HEER, trouwe God, u verlost mij.

Wie armzalige goden vereren – ik haat ze,
ík vertrouw op de HEER.
Ik zal mij verblijden, juichen over uw trouw,
want u ziet mijn ellende,
u kent de nood van mijn ziel,
u laat niet toe dat de vijand mij insluit,
u geeft mijn voeten de ruimte.

Heb erbarmen, HEER,
want ik verkeer in nood,

mijn ogen zijn gezwollen van verdriet,
mijn ziel en mijn lichaam verkwijnen,
mijn leven verloopt in ellende,
zuchtend slijt ik mijn dagen,
door eigen schuld slinken mijn krachten,
tot op mijn botten teer ik weg.

Bij allen die mij belagen
wek ik de lachlust,
bij mijn buren nog het meest.
Wie mij kennen zijn verbijsterd,
wie mij zien aankomen op straat
wenden zich af en ontvluchten mij.
Vergeten ben ik als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk.
Ik hoor de mensen over mij fluisteren,
van alle kanten dreigt gevaar.

Ze steken de hoofden bijeen
en smeden plannen om mij te doden.
Maar ik vertrouw op u, HEER,
ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand liggen mijn lot en mijn leven, bevrijd mij
uit de greep van mijn vijanden en vervolgers.
Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen,
toon uw trouw en red uw dienaar.
HEER, u roep ik aan, maak mij niet te schande,
laat de goddelozen te schande staan
en verstommen in het dodenrijk.
Zwijgen moeten de leugenaars,
die hoogmoedig en vol verachting
rechtvaardige mensen beschuldigen.
Hoe groot is het geluk
dat u hebt weggelegd voor wie u vrezen,
dat u bereid hebt voor wie schuilen bij u,
heel de wereld zal het zien.
U verbergt hen in de beschutting van uw gelaat
voor de lagen en listen van mensen,
uw tent biedt hun een schuilplaats
voor de laster van kwade tongen.
Geprezen zij de HEER om zijn trouw,
hij heeft een wonder voor mij verricht,
hij ontzette mij als een belegerde stad.
In mijn angst had ik gezegd:
‘Ik ben verbannen uit uw ogen,’
maar u hebt mijn smeekbede gehoord
toen ik u om hulp riep.
Getrouwen van de HEER, heb hem lief.
De HEER behoedt de standvastigen,
voorgoed rekent hij af met de hoogmoedigen.
Allen die uw hoop vestigt op de HEER:
wees sterk en houd moed.

Psalm 30

Bij Psalm 30:2-13 - door Greteke de Vries

N.a.v. krantenartikelen over mensen die genezen zijn van het virus.

Nergens lees ik het, niemand zegt het: de Heer heeft mij gered! Voor smekingen om hulp en voor dankbaarheid geen hemelhoog adres.

Het werd donker en ik dacht dat ik dood ging;
ik dacht: lat mij maar wegglijden; ik zal haar nooit meer zien.
Ik was bang, huilde veel en voelde me heel alleen;
de verplegig wilde me troosten maar de gehandschoende hand van een vreemde voelt toch anders dan die van mijn man;
het is puur geluk dat ik nog leef; het gevoel van vrijheid is onbeschrijfelijk;
ik voel me zó opgelucht!

Mensen, wi ik zeggen: pas op! Arrogant was ik, ik dacht dat ik het niet zou krijgen, wat kan mij nou helemaal gebeuren?

Ik heb voor m’n leven gevochten; besmet zijn was een hel; hondsberoerd was ik;
het ging van kwaad tot erger; ik hapte naar adem; ik hoestte me bijna dood.

Toen kreeg ik weer eetlust; de druk op mijn borst nam af; de dokter zei dat ik beter zou worden en dat was ook zo.
Ik zag het weer zitten; ik wilde weer leven.
Mijn stem is nog steeds een beetje gebroken, ik heb een pakkie uit gedaan.

Iedereen was zo lief!
Ik kreeg hartverwarmende appjes.
Normaal heb ik een muurtje om me heen, dat is nu helemaal weg, het was een levensveranderende ervaring, in die zin ben ik bevrijd.

Och Heer, voelt u zich miskend en verwaarloosd?
Of loven wij u ook zónder het noemen van uw naam?


Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David.

  Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.
  HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.
  HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.
  Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.
  Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.
  In mijn overmoed dacht ik:
Nooit zal ik wankelen.
  HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg,
u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst.
  U, HEER, roep ik aan,
u, Heer, smeek ik om genade.
  Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?
  Luister, HEER, en toon uw genade,
HEER, kom mij te hulp.
  U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.
  Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen.
HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven.

Psalm 29

Bij psalm 29 - door Ynze Baumfalk

Mijn oma was vol ontzag voor donder en bliksem. Elke boerendochter was dat ooit.
In mijn kindertijd in Ommen werd er wat afgebeden als het onweerde, vooral aan het eind van de zomer, als de oogst net binnen was. Eén inslag en je hele leven kon in puin liggen. Zelfs al deden de buren hun noaberplicht.
Je kroop bij elkaar in de woonkeuken. Bij mijn oma gingen de gordijnen dicht, de stekkers uit de stopcontacten en het werd stil. Tot het was overgewaaid.

De stem van de HEER klonk vanuit de wolken.

Dat was haar vaste overtuiging. Het woord "donder" , maar helemaal het woord "bliksem" was taboe. Als je de stilte al durfde doorbreken, dan was het met woorden als "gerommel" en "weerlicht". Zo leerde zij ons.

Later leerde je over de Wet van Buys Ballot, over statische elektriciteit, over bliksemafleiders en verzekeringen. Zo verdween God uit Oostdongeradeel en uit Ommen.

Toen kwam Corona.

Maar dit had je toch maar mooi van je oma geleerd:

De HEER zal zijn volk kracht geven.
De HEER zal zijn volk zegenen met vrede.

Een psalm van David

Geef aan JHWH, jullie godeszonen,
geef aan JHWH glorie.
Geef aan JHWH glorie en sterkte.
Geef aan JHWH de glorie van zijn Naam.
Aanbid JHWH in de schoonheid van zijn heiligheid.

De stem van JHWH [klinkt] over de wateren.
De God der glorie dondert,
JHWH [klinkt] over machtige wateren.
De stem van JHWH is krachtig.
De stem van JHWH [klinkt] in majesteit.
De stem van JHWH breekt de ceders,
ja, hij versplintert, JHWH, de ceders van de Libanon.
Hij laat ze springen als een kalf.
De Libanon en Sirjon [laat Hij springen]
als het jong van een wild rund.
De stem van JHWH verdeelt [met] vlammen van vuur.
De stem van JHWH laat beven de woestijn,
laat beven de woestijn van Kades.
De stem van JHWH laat de herten werpen,
vilt de de wouden.

En in zijn paleis zegt iedereen: glorie!
JHWH troonde [ooit] boven de Vloed.
[nu nog] troont JHWH als koning voor eeuwig.
JHWH zal sterkte aan zijn volk geven.
JHWH zal zijn volk zegenen met vrede.

Psalm 28

Bij psalm 28 - door Greteke de Vries

geschreven in reactie op een jarenlang succesvolle ondernemer in een recente talkshow die het vanzelfsprekend vond dat hij van de regering grote sommen compensatie kreeg voor zijn geleden verlies. Hij dankte overigens niet God maar wel de regering.

Ik ben als de dood.
Eén niet te stuiten lijn van veel naar nul!
Waarop kan ik nog bouwen,
wie hoort mijn roep om hulp?
Mijn handen reiken naar uw grote hart,
ik smeek het u:
dat ik niet omval, te gronde ga als mijn rivalen
die gepakt zijn vanwege hun streken,
de schijn van schone handel doorgeprikt.
Dat zíj hun verdiende loon ontvangen
dat u het hen betaald zet,
dat zij aan de bedelstaf geraken
ja, dát is eerlijk.
God noch gebod bepaalt hun daden,
wat een ander doet dat zien ze niet;
uw handen waaruit wij ontvangen
daar achten zij niet op.
Dat u hen zult afbreken en niet opbouwt
maar míj wel, hoort u mij dat smeken?!

Gode zij dank, geloofd de regering,
mijn lot is gekeerd, mijn vertrouwen hersteld,
ik ben geholpen met klinkende munten,
bescherming ontving ik, terug komt mijn kracht.
Daarom springt mijn hart op van vreugde
en zal ik God met mijn lied loven.

Is de Heer hun kracht,
de kracht achter de redding
van wie zich uitverkoren meent?

Verlos uw kwetsbare mensen, leid wie bij u horen,
geef uw bijstand tot in eeuwigheid.

Een psalm van David.

Tot U roep ik, HEERE, mijn rots.
Houd U niet doof voor mij!
Want houdt U Zich stil voor mij,
dan ben ik aan hen gelijk die in de kuil neerdalen.

Hoor mijn luide smeekbeden,
wanneer ik tot U roep,
wanneer ik mijn handen ophef
naar Uw binnenste heiligdom.

Ruk mij niet weg met de goddelozen
en met allen die onrecht bedrijven,
die van vrede spreken met hun naaste,
terwijl er kwaad is in hun hart.

Geef hun loon naar wat zij doen
en naar hun slechte daden,
geef hun naar het werk van hun handen,
vergeld hun naar wat zij verdienen.
Want zij letten niet
op de daden van de HEERE,
en op het werk van Zijn handen;
daarom zal Hij hen afbreken en niet opbouwen.

Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft mijn luide smeekbeden gehoord.
De HEERE is mijn kracht en mijn schild;
op Hem heeft mijn hart vertrouwd
en ik ben geholpen.
Daarom springt mijn hart op van vreugde
en zal ik Hem met mijn lied loven.
De HEERE is hun kracht,

Hij is de kracht achter de overwinningen van Zijn gezalfde.
Verlos Uw volk en zegen Uw eigendom,
weid hen en draag hen tot in eeuwigheid.

Psalm 27

bij psalm 27 - door Greteke de Vries

Je vraagt mij naar mijn angsten en mijn vrezen, hoe ik in het duister licht blijf zien.

Ik zeg je zonder knipperen:
“Al breekt de hel los
en zag ik ze op mij afkomen,
die het op mijn leven hebben voorzien:
God zal mij bewaren,
bij hem is mijn leven veilig.”

Jij zult niet weten hoe ik wankel,
aan mijn geloof zul jij niet twijfelen,
mijn onzekerheid zul jij niet zien!

God, ik vraag jou niet veel,
het enige dat ik verlang is dat ik je niet kwijt raak, dat ik je liefde blijf vinden
daar waar jij je vinden laat.

Mag ik dan bij jou schuilen
op de dag dat ik ziek word,
berg je mij dan in je jasje,
til je mij als een kind in de lucht
zodat niemand mij kan pakken?
Ik zal lachen om jou
en niets lievers willen dan
dat wij samen spelen en zingen,
geen vuiltje aan de lucht.

God, hoor je mij wel roepen
om je hulp?
Je reactie merk ik niet.
Ik zoek je wel maar vind je niet.
Houd jij je verborgen voor mij of
wijs je mij af?
Ben je soms kwaad?
Maar wat kan ík er aan doen?
Verlaat mij toch niet,
ik heb ook al geen vader en moeder meer,
kan ik dan nu bij jou?
Laat jij me zien hoe het verder moet
zorg jij dat ik het red?

Ze zeggen dat ik niet genoeg geloof
Zo halen ze mij helemáál onderuit.

Ik kan toch wel op je rekenen,
jouw goedheid ervaren in het land van de levenden?

Mijn bange hart wacht op antwoord.
Ik zeg tegen mezelf:
“Wees sterk en blijf overeind,
ja wacht op de Heer!”

Van David.

De HEER is mijn licht, mijn behoud,
wie zou ik vrezen?
Bij de HEER is mijn leven veilig,
voor wie zou ik bang zijn?
  Kwaadwilligen kwamen op mij af
om mij levend te verslinden,
mijn vijanden belaagden mij,
maar zij struikelden, zij vielen.
  Al trok een leger tegen mij op,
mijn hart zou onbevreesd zijn,
al woedde er een oorlog tegen mij,
nog zou ik mij veilig weten.

  Ik vraag aan de HEER één ding,
het enige wat ik verlang:
wonen in het huis van de HEER
alle dagen van mijn leven,
om de liefde van de HEER te aanschouwen,
hem te ontmoeten in zijn tempel.

  Hij laat mij schuilen onder zijn dak
op de dag van het kwaad,
hij verbergt mij veilig in zijn tent,
hij tilt mij hoog op een rots.
  Daarom heft zich mijn hoofd
fier boven de vijanden rondom mij,
ik wil offers brengen in zijn tent,
hem juichend offers brengen,
ik wil zingen en spelen voor de HEER.

  Hoor mij, HEER, als ik tot u roep,
wees genadig en antwoord mij.
  Mijn hart zegt u na:
‘Zoek mijn nabijheid!’
Uw nabijheid, HEER, wil ik zoeken,
  verberg uw gelaat niet voor mij,
wijs uw dienaar niet af in uw toorn.
U bent mij altijd tot hulp geweest,
verstoot mij niet, verlaat mij niet,
God, mijn behoud.
  Al verlaten mij vader en moeder,
de HEER neemt mij liefdevol aan.

  Wijs mij uw weg, HEER,
leid mij op een effen pad,
bescherm mij tegen mijn vijanden,
  lever mij niet uit aan mijn belagers.
Valse getuigen staan tegen mij op
en dreigen met geweld.
  Mag ik niet verwachten
de goedheid van de HEER te zien
in het land van de levenden?
  Wacht op de HEER,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de HEER.

Psalm 26

bij psalm 26 - door Esger Renkema

— Toets mij, Here, en beproef mij

Wie wil dat nou, Gods oordeel afroepen over zichzelf?

Augustinus schrijft: wees maar blij als God je beproeft;
dan kun je merken of je werkelijk in onschuld wandelt.

Iemand zei: dit virus is een oordeel van God.
Voor mij is het in elk geval een hele beproeving.
Ik denk niet dat ik er goed in slaag.

— Raap mijn ziel niet weg met de zondaars

Iemand anders zei: dit virus is een straf van God.
(Nou ja, daar kwam het althans op neer.)

Maar zou God niet alleen de valsaards straffen?
De huichelaars, de boosdoeners en goddelozen?
De zondaars, bloedvergieters en misdadigers?

Maar dit virus treft wie al ziek is het hardst, niet wie bloed vergiet.
De quarantaine wie alleen is, niet de club van boosdoeners.
De werkloosheid wie arm is, niet wiens hand met geschenken is gevuld.

Dan heb ik toch liever Gods oordeel!

— Verlos mij en wees mij genadig

Want God alleen kan de scheiding maken tussen goed en kwaad.
Niet ikzelf, ook al houd ik van alle boosdoeners afstand.
Niet ik, ook al was ik in oprechte zorgeloosheid mijn handen.

Maar ik wilde dat ik het zelf kon: leven in Gods waarheid,
vertellen van wonderen, luid een loflied zingen:
wandelen in onschuld.

Van David.

Doe mij recht, Here,
 want ik heb in onschuld gewandeld;
op de Here heb ik vertrouwd
 zonder te wankelen.
Toets mij, Here, en beproef mij,
 keur mijn nieren en mijn hart.

Want uw goedertierenheid houd ik voor ogen,
 ik wandel in uw waarheid.
Bij de valsaards zit ik niet neer,
 met de huichelaars ga ik niet om;
Ik haat het gezelschap der boosdoeners,
 bij de goddelozen zit ik niet neer.
Ik was mijn handen in onschuld,
 maak de omgang om uw altaar, o Here,
terwijl ik luide een loflied doe horen,
 al uw wonderen vertel.
Here, ik heb lief de stede van uw huis,
 de woonplaats van uw heerlijkheid.

Raap mijn ziel niet weg met de zondaars,
 noch mijn leven met hen die bloed vergieten,
Aan wier handen misdaad kleeft,
 en wier rechterhand vol is van geschenken.
Ik echter wandel in onschuld;
 verlos mij en wees mij genadig.
Mijn voet staat op effen baan,
 in de samenkomsten zal ik de Here prijzen.

Psalm 25

Bij psalm 25 - door Greteke de Vries

Ik kijk, ja,
mijn ogen gericht
op nieuwsberichten, statistieken, specialisten
alsof daar ons lot van afhangt.

Er zijn mensen die menen dat U daarover beslist.
Zij bewegen zich vrij als tevoren.
Zij houden hun oog op hun God gericht,
zeggen: hij zal ons, gevangen vogels, bevrijden.

Ik ben meer van het gebed van
wie alleen is en ellendig,
een hart vol angst
dat roept
om levensadem,
om ogen die nood en ellende zien in plaats van vage vroomheid,
dat – het einde nabij -
worstelt met vragen van schuld en vergeving,
dat roept
om ogen die de vijand serieus neemt die meedogenloos ons dodelijk haat,
dat roept: behoed mij en bevrijd mij,
stel me niet teleur, ik vertrouw me aan u toe,
dat in wanhoop onderhandelt:
als ik genees zal ik voortaan zus en zo…

Is dat hoop gevestigd op u?
Bent u het toch die ons verlost,
God van Israël, en niet alleen van onze angsten?

Ps. 25: 15-22

Ik houd mijn oog gericht op de HEER,
hij bevrijdt mijn voeten uit het net.
Keer u tot mij en wees mij genadig,
ik ben alleen en ellendig.
Mijn hart is vol van angst,
bevrijd mij uit mijn benauwenis.
Zie mij in mijn nood, in mijn ellende,
vergeef mij al mijn zonden.
Zie met hoe velen mijn vijanden zijn,
hoe ze mij dodelijk haten.
Behoed mij en bevrijd mij,
maak mij niet te schande, want ik schuil bij u.
Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren,
op u is mijn hoop gevestigd.
God, verlos Israël,
verlos het van al zijn angsten.

Psalm 24

Bij psalm 24 - door Greteke de Vries

We kunnen er kort over zijn:
De aarde is niet van iemand van ons,
de wereld en wie haar bewonen;
de zeeën en de rivieren niet -
fundamenten van ons leven.

Wie zullen het redden,
wie vinden bescherming in onaantastbaarheid?
Wie reine handen heeft, hart voor een ander
zich niet inlaat met leugens
en niet bedrieglijk zweert?

Voor ons welzijn zijn we afhankelijk van samen
welvaart hebben we toch niet in eigen hand.
Dat erkennen is een begin van wijsheid
is je wenden tot wie je helper is.

Recht je rug en hef je hoofd omhoog
open je hart en je oren
voor een andere majesteit dan je zelf.
Wie is dat dan, groter dan ons goddelijke ik?
Van oudsher de Barmhartige, machtig in de strijd.

Recht je rug en hef je hoofd omhoog
open je hart en je oren
voor een andere majesteit dan je zelf.
Wie is dat dan, groter dan ons goddelijke wij?
Van oudsher de Schepper, met al zijn creativiteit.

Van David, een psalm.

Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen,
hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,
op de stromen heeft hij haar verankerd.

Wie mag de berg van de HEER bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens
en niet bedrieglijk zweert.

Zegen zal hij ontvangen van de HEER
en recht verkrijgen van God, zijn redder.
Dat valt hun ten deel die u zoeken,
die zich tot u wenden – het volk van Jakob. sela

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef u, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
Wie is die koning vol majesteit?
De HEER, machtig en heldhaftig,
de HEER, heldhaftig in de strijd.

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef ze, aloude ingangen:
Wie is hij, die koning vol majesteit?
De HEER van de hemelse machten,
hij is de koning vol majesteit. Sela

Psalm 23

Bij psalm 23 - door Greteke de Vries

Een vermoeden van leiding
als ik terugkijk
altijd weer wat ik nodig had;
zat ik er door heen -
op het juiste moment kreeg ik rust,
ontving ik zorg
deed ik nieuwe kracht op
wist ik hoe verder.
Ik dankte daarvoor God.
Zal ik straks dan alleen zijn
in het donkere dreigende dal van de dood?
Nee, ook dan vind ik steun in de rug,
een troostende stem, een helpende hand.
Zalf mijn zieke hoofd met olie
en reik mij brood en wijn –
mededogen en barmhartigheid wordt mij geschonken
zolang als ik leef, kome wat komt.
U bent bij mij, ik blijf bij u.

Een psalm van David.

De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.

Psalm 22

Vrij naar Psalm 22 - door Anneke Nolet

Aanwezige, mijn God,
waarom bent u van mij weggegaan?
Weg van mijn schreeuwen,
ver weg van mijn bevrijding.
Bij dag en bij nacht roep ik u,
u antwoordt niet,
u komt mij niet tegemoet.
     U die in heiligheid troont
     die van Israël de roem zijt.
     Onze voorvaderen rekenden op u
     en u bracht redding.
     Maar ik wordt veracht,
     juist om u bespot.
     Vanaf de moederschoot
     was u mijn God.
O, blijf toch niet ver van mij!
De dreiging is genaderd
en niemand helpt.
     Virussen woeden alom,
     wie kwetsbaar is valt ten prooi.
     Isolement is een schamel pogen
     infectie voor te zijn.
     Wanneer kunnen we naar buiten treden
     zonder angst verloren te gaan?
     We bestaan als enen en nullen,
     menselijke maat ontbreekt.
     Wereldwijd verderf door graaiers,
     dodelijke data ontkennen ons.
     U legt ons in het stof van de dood.
Gij, Aanwezige, blijf toch niet ver!
Mijn kracht, haast u mij te helpen.
Red mijn ziel, het enige dat ik heb.
Bevrijd ons van virus corona.
     Ik zal uw naam bekendmaken
     u loven temidden van de scharen
Want u heeft niet veracht,
de bange in haar isolement,
uw gelaat niet afgewend,
u hoorde naar wie tot u riep.
Eenmaal stillen de armen hun honger;
loven mogen de Aanwezige, die haar zoeken;
hun hart vindt leven voor immer.
Want God, u doet het!
     Generatie na generatie
     zal uw gerechtigheid melden.

Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.

Mijn God, mijn God,waarom hebt u mij verlaten?U blijft ver weg en redt mij niet,ook al schreeuw ik het uit.3‘Mijn God!’ roep ikoverdag, en u antwoordt niet,’s nachts, en ik vind geen rust.

U bent de Heilige,die op Israëls lofzangen troont. Op u hebben onze voorouders vertrouwd;zij hebben vertrouwd en u verloste hen, tot u geroepen en zij ontkwamen,op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.

Maar ik ben een worm en geen mens,door iedereen versmaad, bij het volk veracht. Allen die mij zien, bespotten mij,ze schudden meewarig het hoofd: ‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen,laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’

U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,mij aan haar borsten toevertrouwd, bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,van de moederschoot af bent u mijn God.

Blijf dan niet ver van mij,want de nood is nabijen er is niemand die helpt. Een troep stieren staat om mij heen,buffels van Basan omsingelen mij, roofzuchtige, brullende leeuwensperren hun muil naar mij open.
 Als water ben ik uitgegoten,mijn gebeente valt uiteen,mijn hart is als was,het smelt in mijn lijf. Mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,u legt mij neer in het stof van de dood.

Honden staan om mij heen,een woeste bende sluit mij in,zij hebben mijn handen en voeten doorboord. Ik kan al mijn beenderen tellen.Zij kijken vol leedvermaak toe, verdelen mijn kleren onder elkaaren werpen het lot om mijn mantel.

HEER, houd u niet ver van mij,mijn sterkte, snel mij te hulp. Bevrijd mijn ziel van het zwaard,mijn leven uit de greep van die honden. Red mij uit de muil van de leeuw,bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.U geeft mij antwoord.

Ik zal uw naam bekendmaken,u loven in de kring van mijn volk. Loof hem, allen die de HEER vrezen,breng hem eer, kinderen van Jakob,wees beducht voor hem, volk van Israël.

Hij veracht de zwakke niet,verafschuwt niet wie wordt vernederd,hij wendt zijn blik niet van hem af,maar hoort zijn hulpgeroep.

Van u komt mijn lofzang in de kring van het volk,mijn geloften los ik in bij wie u vrezen. De vernederden zullen eten en worden verzadigd.Zij die hem zoeken, brengen lof aan de HEER.Voor altijd mogen jullie leven!

Overal, tot aan de einden der aarde,zal men de HEER gedenken en zich tot hem wenden.Voor u zullen zich buigenalle stammen en volken. Want het koningschap is aan de HEER,hij heerst over de volken.

Wie op aarde in overvloed leven,zullen aanzitten en zich voor hem buigen.Ook zullen voor hem knielenwie in het graf zijn neergedaald,wie hun leven niet konden behouden.

Een nieuw geslacht zal hem dienenen aan de kinderen vertellen van de Heer; aan het volk dat nog geboren moet wordenzal het van zijn gerechtigheid verhalen:hij is een God van daden.

Psalm 21

Bij psalm 21 - door Greteke de Vries

Voorstel:

Onze leider is onder de indruk van uw kracht
over uw overwinning is hij zeer te spreken.
Wat hij nodig heeft voor de strijd geeft u hem,
U schenkt hem autoriteit en een lang leiderschap.
Overal oogst hij lof door uw hulp,
zijn succes is onovertroffen.
Ja, onze leider vertrouwt op de Heer
door de trouw van de Allerhoogste blijft hij scherp.
En dan zal u onze vijand vernietigen,
u maakt het helemaal kapot.
Een toekomst zal het niet hebben,
U heeft het helemaal uitgeroeid.
Kwaad kan het niemand meer doen,
tot aan z’n hele ondergang jaagt u erop.
Dus: laat zien hoe radikaal u met hem afrekent
en wij zullen wereldwijd van u zingen.

Deal?

Voor de koorleider. Een psalm van David.
HEER, uw kracht verblijdt de koning,
luid juicht hij om uw overwinning.
U gaf hem wat zijn hart verlangde,
het verzoek van zijn lippen wees u niet af. sela
U nadert hem met rijke zegen
en plaatst op zijn hoofd een gouden kroon.
Leven heeft hij gevraagd, u hebt het hem gegeven,
lengte van dagen, voor eeuwig en altijd.
Groot is zijn roem door uw overwinning,
u tooit hem met glans en met glorie,
u schenkt hem voor altijd uw zegen,
u verblijdt hem met het licht van uw gelaat.
Ja, de koning vertrouwt op de HEER,
Uw hand zal uw vijanden slaan,
uw machtige hand uw haters treffen,
u doet hen branden als vuur in een oven
wanneer u verschijnt.
De HEER zal hen in zijn woede verslinden,
vuur zal hen verteren.
Hun kinderen zult u op aarde verdelgen,
hun nageslacht uitroeien onder de mensen.
Al spannen zij tegen u samen,
al zinnen zij op kwaad, ze bereiken niets,
want u zult hen op de vlucht jagen,
u schiet uw pijlen recht op hen af.
Verhef u, HEER, in uw kracht,
wij zullen uw macht in liederen bezingen.

Psalm 20

Bij psalm 20 - door Esger Renkema

Gaf God jou maar antwoord,
maakte God jou maar sterk.
Als die je nou hielp!

God weet dat je het verdient,
God weet dat je het nodig hebt.
Kreeg je alles maar wat je wilde.

Ik wil dat je dit te boven komt,
ik wil niet dat je verliest.
Maar God moet het doen,
want ik kan het niet.

Ik heb geen wagens voor je en geen paarden,
ik kan alleen roepen naar boven.
Toch zullen we niet omvallen
jij en ik, we blijven staan.

O God, help hem.
Antwoord mij!

beeld: 101-jarige -  genezen van Corona - verlaat ziekenhuis

Voor de koorleider. Een psalm van David.

De Here antwoorde u ten dage der benauwdheid,
 de naam van Jakobs God make u onaantastbaar;
Hij zende u hulp uit het heiligdom,
 ondersteune u uit Sion.

Hij gedenke al uw offers,
 uw brandoffer achte Hij welgevallig.
Hij geve u naar uw hart,
 doe al uw plannen in vervulling gaan.

Wij willen juichen over uw overwinning,
 in de naam van onze God de vaandels opsteken;
  de Here vervulle al uw begeerten.

Nu weet ik, dat de Here zijn gezalfde de overwinning geeft,
 Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel
  met de machtige heilsdaden zijner rechterhand.

Dezen beroemen zich op wagens en genen op paarden,
 maar wij roemen in de naam van de Here, onze God.
Zij zinken neder en vallen,
 maar wij richten ons op en houden stand.

O Here, schenk de koning de overwinning,
 Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen.

Psalm 19

Bij Psalm 19 - door Greteke de Vries

Die jonge bruidegom!
Hoe verrukkelijk was zijn nacht
Hij kust zijn geliefde en springt uit hun bed
levendig stort hij zich op de nieuwe dag
wie hem ziet rennen met zijn blos en wilde haren
wordt aangestoken door zijn gloed.
Hartverwarmend is zijn lach
ontroerend zijn vitaliteit.
Blijf lopen, jongen, en morgen opnieuw.
Jouw nacht is verkwikkend,
jouw dag is een weldaad voor wie jij passeert.
Zo is Gods hemel, de dag na de nacht,
het eeuwige ritme van een woordeloos lied.

Die regelmaat van het leven
geeft bezieling aan de mens,
schenkt dagelijkse wijsheid
en vreugde voor het hart.
Juist nú helder zien en handelen
met eerbied en waarachtigheid
dat is kostbaarder dan het duurste goud
en zoeter dan de meest verse honing.

Ik geef me aan uw ordening over,
ontspannen is mijn hoofd en hart.
Dat wil zeggen: voor zolang als het duurt …
Dus wil mij beschermen tegen chaos en drukdoen,
maak mij vrij van voorbij gaan aan U.
Met blijdschap om deze dag op mijn lippen
deze zomerse dag in mijn hart
kijk ik uit naar de nieuwe morgen met liefde,
de nacht vrees ik dit keer niet.

Voor de koorleider. Een psalm van David

De hemel verhaalt van Gods majesteit,
het uitspansel roemt het werk van zijn handen,
de dag zegt het voort aan de dag die komt,
de nacht vertelt het door aan de volgende nacht.

Toch wordt er niets gezegd, geen woord
gehoord, het is een spraak zonder klank.
Over heel de aarde gaat hun stem,
tot aan het einde van de wereld hun taal.
een jonge bruidegom die het bruidsbed verlaat,
een held die vrolijk voortrent op zijn weg.
Aan het ene einde van de hemel komt hij op,
aan het andere einde voltooit hij zijn loop,

De wet van de HEER is volmaakt:
levenskracht voor de mens.
De richtlijn van de HEER is betrouwbaar:
wijsheid voor de eenvoudige.
De bevelen van de HEER zijn eenduidig:
vreugde voor het hart.
Het gebod van de HEER is helder:
licht voor de ogen.
Het ontzag voor de HEER is zuiver,
houdt stand, voor altijd.
De voorschriften van de HEER zijn waarachtig,
rechtvaardig, geheel en al.
Ze zijn begeerlijker dan goud,
dan fijn goud in overvloed,
en zoeter dan honing,
dan honing vers uit de raat.

Uw dienaar laat zich erdoor verlichten,
wie ze opvolgt wordt rijk beloond.
Maar wie kan al zijn fouten kennen?
Spreek mij vrij van verborgen zonden.
Bescherm mij, uw dienaar, en laat hoogmoed
niet over mij heersen, dan zal ik volmaakt zijn
en bevrijd van grote zonde.
Laten de woorden van mijn mond u behagen,
de overpeinzingen van mijn hart u bekoren,
HEER, mijn rots, mijn bevrijder.

Psalm 18

Bij Psalm 18 - door Ynze Baumfalk

Het begint zo mooi, die psalm. Opgelucht is de dichter dat de Heer, zijn rots, zijn houvast, hem heeft gered, hem heeft weggerukt van voor de poorten van de hel. Een psalm om te zingen als je na de IC weer adem genoeg hebt.

Maar dan slaat het lied om. De ene na de andere krijgshaftige strofe volgt. Zo weggelopen uit Germaanse of Noorse sagen, lijkt het.

Gespierde taal met donder en bliksem. Wodan die zijn paard Sleipnir bestijgt. Daar galopperen ze over de wolken. Donar die zijn hamer naar de aarde slingert.  Vuur en zwavel!

En daar blijft het niet bij. De redding is één ding, maar dan traint God de dichter zelf in de krijgskunst. Pijlen schieten, speren werpen, wraak en vergelding, verdelging.

De woede van de dichter, zijn razernij is te begrijpen. Ik kan heel goed zelf zo reageren. Ik ken mezelf wel een beetje. Onrecht is ondragelijk. Geen pappen en nathouden, geen compromissen. Aanpakken die vijand, dat rotding dat COVID-19 heet. En aanpakken iedereen die in de weg staat van de bestrijding ervan.

Dan schep je zo'n god naar jouw beeld.

De psalm eindigt in rustiger vaarwater. De dichter is uitgeraasd. Laten we maar weer gaan zingen.

Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. Hij zei:

Ik heb u lief, HEER, mijn sterkte,3HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen,mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht. Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER,’want ik ben van mijn vijanden verlost.

Mij omsloten de banden van de dood,de kolkende afgrond joeg mij angst aan,6de banden van het dodenrijk omklemden mij,op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

In mijn nood riep ik tot de HEER,ik schreeuwde naar mijn God om hulp.In zijn paleis hoorde hij mijn stem,mijn roepen bereikte zijn oren.

Toen schudde en schokte de aarde,de bergen trilden op hun grondvesten,beefden omdat hij vlamde van woede, rook steeg op uit zijn neus,verterend vuur kwam uit zijn mond,hij spuwde hete as.

Hij schoof de hemel open en daalde af,duisternis onder zijn voeten, hij besteeg de cherub en vloog,zwevend op de vleugels van de wind.

Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,trok een tent om zich heenvan duister water, dichte wolken. Een vuurgloed ging voor hem uit,wolken joegen voort, hagel en gloeiende as.

De donder van de HEER klonk aan de hemel,de Allerhoogste verhief zijn stem:hagel en gloeiende as.Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.

De beddingen van het water werden zichtbaar,de grondvesten van de wereld kwamen blootdoor uw dreigende blik, HEER,door de briesende adem uit uw neus.

Hij bood hulp van omhoog, greep mij vasten trok mij op uit de woeste wateren, ontrukte mij aan mijn machtige vijand,aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,maar de HEER was mij tot steun. Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.

De HEER heeft mijn onschuld vergolden,mij beloond voor mijn reine handen: ik volgde de wegen die de HEER had gewezenen werd mijn God niet ontrouw,23zijn voorschriften hield ik voor ogen,zijn wetten wees ik nooit af.

Ik was hem volkomen toegewijden hoedde mij steeds voor het kwaad,25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,hij zag mijn reine handen.

U bent trouw voor de trouwe,volmaakt voor de volmaakte, zuiver voor de zuivere, maar voor de sluwe ongrijpbaar.

U bent de redder van het vertrapte volk,wie zich hoog wanen, brengt u ten val. U bent het die mijn lamp doet schijnen,u, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis, met u storm ik af op een legerbende,met mijn God beklim ik de hoogste muur.

Gods weg is volmaakt,het woord van de HEER is zuiver,een schild is hijvoor allen die bij hem schuilen.

3Wie anders is God dan de HEER,wie anders een rots dan onze God? De God die mij met kracht omgordt,leidt mij op een volmaakte weg,

hij geeft mij voeten snel als hinden,doet mij op toppen van bergen staan,35oefent mijn handen voor de strijd –mijn armen spannen de bronzen boog.

U was het schild dat mij redde,uw rechterhand ondersteunde mij,uw woord maakte mij sterk, u baande de weg voor mijn voeten,ik wankelde niet.

Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op,dood lagen ze onder mijn voeten.

U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,mijn tegenstanders voor mij doen buigen, u liet mij de rug van mijn vijanden zien,mijn haters, ik roeide ze uit.

Ze riepen om hulp, maar er was geen redder,ze riepen de HEER, maar hij antwoordde niet. Ik verpulverde hen tot stof in de wind,veegde hen weg als vuil van de straat.

U bevrijdde mij van een opstandig volk,stelde mij aan tot hoofd van de naties. Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.Vreemdelingen toonden zich onderdanig, vreemde volken verloren hun kracht,bevend kwamen zij uit hun burchten.

De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,hoogverheven is God, mijn redder. De God die mij wraak liet nemen,dwong volken op de knieën, bevrijdde mij van mijn vijanden,verhief mij boven mijn tegenstanders,ontrukte mij aan mannen van geweld.

Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, HEER,een loflied zingen tot eer van uw naam. Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde,aan David en zijn nageslacht, voor altijd.

Psalm 17

Bij Psalm 17 - door Greteke de Vries

Naar aanleiding van de t.v.reportage ‘Levenslucht - Een week op de I.C. tijdens corona’ door Jessica Villerius), uitgezonden op 1 april 2020

Luister, lieve God, ik vraag om een eerlijke uitspraak,
Luister, ik smeek het u, hoor toch naar mij,
Ik lieg niet, van ú wil ik het horen:
wat is nu het beste om te doen?

Wilt u weten of ik een goed mens bent?
Houdt u me daarom wakker uit m’n slaap?
O God, we weten beiden toch wel beter.
Daarvan hangt uw hulp toch niet af?

Ik probeer naar uw Woord te leven,
me niet toe te eigenen wat niet van mij is,
een ander niet te schaden, geen geweld,
maar natuurlijk slaag ik daar niet in. Ik ben een mens!

Toch roep ik tot u om hulp,
ik geloof dat u antwoordt,
mij ingeeft wat het meest juiste is op dit moment.
Daaruit blijkt mij uw trouw.

Wie bij u schuilen redt u –
Uw scherm wil ik vragen voor x.

Behoed hem/haar als de appel van uw oog,
verberg hem/haar
in de schaduw van uw vleugels
voor dat goddeloze ding,
de gnieper die hem/haar naar het leven staat.

Niet aanspreekbaar is het voor zijn/haar lijden,
gevoelloos en gesloten voor ons aller lot.
Het ligt op de loer waar we ook heen gaan,
het houdt ons in het oog en wacht op een kans.
Wás het maar een leeuw die zich schuil houdt,
wij weten wat hij doet met zijn prooi.

Sta op, God,
ga op hem af en maak hem machteloos.
Laat kennis ons bevrijden van dat monster,
uw hand leiden wie ons kan redden van deze dood.
U ziet maar wat u ermee doet
maar verdelg het voor nu en in de toekomst.

Laat x leven, daar heeft hij/zij recht op!
Dat hij / zij ontwaken kan en al het goede weer ziet!

Een gebed van David.

Luister, HEER, ik vraag om recht,
luister naar mijn smeken,
hoor mijn gebed –
geen leugen komt over mijn lippen.
  Laat van u het oordeel komen,
laat uw oog zien wat juist is.
  Bezoekt u mij in de nacht
en beproeft en peilt u mijn hart,
u zult niets in mijn nadeel vinden,
geen kwaad kwam uit mijn mond.
  Hoe de mensen ook leven,
ik houd mij aan het woord van uw lippen.
De weg van roof en geweld
heb ik altijd gemeden,
  mijn voeten volgden uw spoor,
mijn stappen wankelden niet.
  Ik roep tot u om hulp,
want u geeft mij antwoord.
Wil mij horen, God,
luister naar mijn spreken,
  toon mij de wonderen van uw trouw.
Wie bij u schuilen redt u
van hun tegenstanders, met uw machtige hand.
  Behoed mij als de appel van uw oog,
verberg mij in de schaduw van uw vleugels
  voor de goddelozen die mij geweld aandoen,
voor de vijanden die mij naar het leven staan.
  Hun hart is gevoelloos en gesloten,
hun mond spreekt hoogmoedige taal.
  Ze sluiten mij in waar ik mijn voeten ook zet,
ze houden mij in het oog en hopen op mijn val.
   Mijn vijand is een leeuw, belust op prooi,
een roofdier dat zich schuilhoudt.
  Sta op, HEER,
ga op hem af en druk hem tegen de grond.
Laat uw zwaard mij bevrijden van de goddelozen,
  uw hand, HEER, mij verlossen van die mannen
des doods, die leven voor kortstondig gewin.
Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt,
ze mogen hun kinderen ermee verzadigen,
hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet.
  Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,
bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.

Psalm 16

Bij Psalm 16 - door Greteke de Vries

Een stil gebed
Behoed mij, God, ik schuil bij u,
mijn ziel liet het mij weten:
God is jouw geluk, belangrijker is niets.
Ik klampte mij vast aan hen die het weten,
ieder moment speurde ik naar verhelderend nieuws.
Op mijn lippen niets anders dan die machtige naam
en mijn hart bloedde van zorg.
Och Heer, waaraan gaf ik mij gewonnen?
U toch houdt mijn lot in uw hand?
In een liefelijk landschap zie ik uw gaven,
verheug mij in het licht dat u schenkt.
Ik dank God voor deze lessen,
in de nacht spreekt zijn omvormend woord.
Nu houd ik mijn ogen gericht op de toekomst,
ik hervind mijn balans, val niet om.
Mijn hart is blij en mijn ziel wil weer zingen,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.
Hierop vertrouw ik: dat ik niet zal breken,
met u aan mijn zij houd ik stand.
U wijst mij de weg naar het leven:
in goedheid en schoonheid en waarheid
vertrouw ik uw Geest aan mijn zij.

Een stil gebed van David.

Behoed mij, God, ik schuil bij
  Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer,
mijn geluk, niemand gaat u te boven.’
  Maar tot de goden in dit land,
de machten die ik vereerd heb, zeg ik:
  ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’
Ik pleng voor hen geen bloed meer,
niet langer ligt hun naam op mijn lippen.
  HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
u houdt mijn lot in handen.
  Een lieflijk land is voor mij uitgemeten,
ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.
  Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.
  Steeds houd ik de HEER voor ogen,
met hem aan mijn zijde wankel ik niet.
  Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.
  U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.
  U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

Psalm 15

Bij Psalm 15 - door Ynze Baumfalk

Hoe het zou moeten zijn?
Hoe de wereld in elkaar zou moeten zitten?
We  weten het wel, maar...
Zo is het niet,  zo zit het niet.

We weten het echt wel, al eeuwen:
jullie kunnen niet God dienen én de Mammon.
Geldzucht is de wortel van alle kwaad.

Wat is een mens waard?
Gewoon geschat, zo per resterend levensjaar. 
Tachtigduizend euro?
Tien pond kaas?
Een onsje liefde?

Hoeveel rente krijg je voor je geliefde?
Rendeert mijn schoonvader nog?

Kyrië eleison!

Een psalm van David. (Willibrordvertaling 1975)

HEER, wie mag gast zijn in uw tent, wie mag wonen op uw heilige berg?

Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is,wie oprecht de waarheid spreekt. Hij doet aan lasterpraat niet mee,hij benadeelt een ander nieten drijft niet de spot met zijn naaste.

Hij veracht wie geen achting waard is, maar eert wie ontzag heeft voor de HEER.Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel, voor een lening vraagt hij geen rente, hij verraadt geen onschuldigen voor geld.

Wie zo doet, komt nooit ten val.

Psalm 14

Bij Psalm 14 - door Greteke de Vries

Dwazen zijn het, zij die denken: wat ben ik slim!
Geen van hen deugt, de lijkenpikkers, de graaiers
met hun inhalige handen en
misselijk makende praktijken,
zij profiteren van de crisis
met hun dubieuze hulp.
Houdt u nog het overzicht, daar boven?
Kunt u er met uw helicopterblik
nog eentje vinden die
in de spiegel kijkt en ziet hoe hij
dwaalt en ontaardt,
kwaad sticht met zijn woeker
en het kwetsbare volk verslindt met zijn list?
De rijken en machtigen, hun lachen vergaat:
geen voorrang op tests of beademing,
met hun geld en invloed kopen zij niks.
De zwakke vertrouwt zich toe aan God.
Bescherming vindt hij in een menselijk gelaat.
Als God zal weten hoe ons lot zal keren
Zullen zij juichen die met liefde zijn gezien.

Geïnspireerd op artikel in het Parool van zaterdag 29 maart, ‘Live uit een snelkookpan’, interview met de Amsterdammer Marcel Levi, arts en crisisplanner van 15 Londense ziekenhuizen.

Voor de koorleider. Van David.

  Dwazen denken: Er is geen God.
Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden,
geen van hen deugt.
  De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen
om te zien of er één verstandig is,
één die God zoekt.
  Allen zijn afgedwaald, allen ontaard,
geen van hen deugt, niet één.
  Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters?
Ze verslinden mijn volk of het brood is
en roepen de HEER niet aan.
  Nog even, en hen overvalt een hevige angst,
want God is met de rechtvaardigen.
  Lach maar om het vertrouwen van de zwakke –
hij vindt zijn toevlucht bij de HEER.
  Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël.
Als de HEER het lot van zijn volk ten goede keert,
zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Psalm 13

Bij psalm 13 - door Ynze Baumfalk

Bidden, smeken... stilte.
Roepen, huilen... stilte.

Laat ik maar zingen.
Misschien helpt dat.

Voor de koorleider. Een psalm van David.

Hoe lang nog, HEER, zult u mij vergeten,
 hoe lang nog verbergt u voor mij uw gelaat?
Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen
 en mijn hart door verdriet overstelpt, dag aan dag?
Hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand?

Zie mij, antwoord mij, HEER, mijn God!
 Verlicht mijn ogen, dat ik niet in doodsslaap wegzink.
Laat mijn vijand niet roepen: ‘Ik heb hem verslagen',
 mijn belagers niet juichen omdat ik bezwijk.

Ik vertrouw op uw liefde:mijn hart zal juichen
  omdat u redding brengt,
ik zal zingen voor de HEER,
  hij heeft mij geholpen.

Psalm 12

Een psalm over eenzaamheid.- door Esger Renkema

Niemand is nog trouw
 of: er zijn geen vromen meer
 of: de goedertierene ontbreekt.
Wat is het eenzaam.

De leugens, de valsheid, de grootspraak –
dingen die ons vervreemden van elkaar,
vervreemden van God.

Met onze tong zijn we sterk
Er zijn natuurlijk meer soorten eenzaamheid.
De eenzaamheid van niemand te zien,
van opgesloten zijn, alleen thuiszitten.

Maar dit is de eenzaamheid van niet worden gezien:
 de leugen, om niet in de afgrond van angst te hoeven kijken;
 de valsheid, om de pijn van een ander niet te willen zien;
 de onzekerheid, door grootspraak overstemd.

Zo maken wij ons eenzaam, God –
snijd hun valse tongen af.

 * * *

God,
Jij bent de zucht van het verdrukte schepsel,
het gemoed van een harteloze wereld.
Jouw woorden zijn als zilver,
ze hebben mij steeds getroost,
steeds hoop gegeven in mijn eenzaamheid.

Maar waar in mijn eenzaamheid ben jij?
Sta op: waar moet ik jou zoeken?
Geef mij de redding die ik verlang,
want onder de mensen verbreidt zich het kwaad.

Maak mijn gemoed toch zuiver,
zevenvoudig gelouterd.
Geef mij trouw en waarheid,
laat mij gezien worden, en zien.
Behoed mij, God!

Voor de koorleider. Op de wijs van De achtste. Een psalm van David.

Grijp in, HEER! Niemand is nog trouw,
 geen mens spreekt nog waarheid.
Ze beliegen elkaar allemaal,
 vals en verraderlijk is hun woord.
HEER, snijd hun valse tongen af,
 snoer de monden vol grootspraak
die zeggen: ‘Met onze tong zijn we sterk,
 onze mond helpt ons, wie kan ons aan?’

Zwakken en armen zuchten onder het geweld –
 ‘Om hen sta ik op,’ zegt de HEER,
  ‘ik breng de redding die zij verlangen.’
De woorden van de HEER zijn zuiver
 als zilver, gesmolten in de smeltkuil,
  gelouterd tot zevenmaal toe.
Behoed hen, HEER,
 bescherm hen steeds tegen dat volk.
Overal sluipen verraders rond
 en onder de mensen verbreidt zich het kwaad.

Psalm 11

Bij Psalm 11  - door Greteke de Vries

Mijn schuilplaats is bij God

Waarom spoor jij mij aan van God los te komen?
Moet ik vluchten naar de bergen
mijzelf vrijwaren voor alle gevaar?

Je treft onverhoeds met je pijl mijn verlangen.
Ik zag al omhoog naar de vogels,
de ganzen in hun vlucht keek ik reeds na.

Tot in de grond gesloopt is ons vertrouwen
de helden staan machteloos tegen de dood
en juist nu sla jij toe: geen god is je hulp!

Ik wil het uithouden in mijn twijfel,
mijn schuilplaats moet blijven bij God
die overziet, mij beproeft en mij stut.

Laat God vuur en zwavel gieten over de bozen
die bressen slaan in ons veilige huis.
Laat ze verbranden, verdwalen, nooit zien wij hen meer!

Betrouwbaar is God voor wie betrouwbaar handelt.
Wie oprecht zorgen voor anderen
zien Haar troostend gelaat.

Voor de leider van de muzikanten, op naam van
David.
Mijn schuilplaats is bij de HEER.

Waarom spoor je mij dan aan:
‘Vogeltje, vlucht naar de bergen.’

De bozen spannen hun boog, pas op;
zij leggen de pijl op de pees
om een eerlijk mens onverhoeds te treffen.

Tot in zijn fundament wordt alles gesloopt,
en de rechtvaardige staat machteloos.

De HEER is in zijn heilige tempel,
de HEER heeft zijn troon in de hemel.

Zijn ogen zien,
zijn ogen doorzien alle mensenkinderen.

De HEER doorziet een rechtvaardige en een zondaar,
Hij verafschuwt degenen die zweren bij geweld.

Vuur en zwavel giet Hij over die schurken,
Hij onthaalt hen op een verzengende zandstorm.

De HEER is rechtvaardig,
Hij zweert bij rechtvaardige daden,
eerlijke mensen krijgen zijn gelaat te zien.

Psalm 10

Bij Psalm 10 - door Ynze Baumfalk

Zo werd hij eindlijk god, de mens.
Zo dacht hij en hij zei:
er is geen God
en anders
ziet Zij het toch niet.
Ik ben onsterflijk jong,
onkwetsbaar.

Zij merkt het niet, dacht hij,
maar merkte niet hoe om hem heen
haar wraak de hemel afgebeden werd
en God vertwijfeld luisterde.

En er wás licht, die laatste dag.

 Psalm 10 - Willibrordvertaling

Waarom blijft Gij, o Heer, zo onbereikbaar ver?
waarom verbergt Gij U in tijden dat het nijpt?
  Door de triomf der bozen lijdt de arme pijn,
want anderen worden prooi van hun sluw overleg.
  de rechtsverkrachter pocht dat zijn wil triomfeert,
maakt woeker, spot met God: hij telt de Heer als niets.
  Zo'n schurk verbeeldt zich heel wat: 'Hij zoekt geen verhaal!'
de som van wat hij denkt: 'Welneen! Er is geen God!'
  Langs eigen wegen komt hij altijd tot zijn doel;
uw oordeel raakt hem niet: het gaat over zijn hoofd.
Als iemand hem te na komt valt hij briesend uit
  en bij zichzelve denkt hij: 'ik ga niet omver!
zo een als ik raakt nooit of te nimmer in de nood.'
  Verwensing bergt zijn mond, met leugen en bedrog;
onder zijn tong huist kwelzucht en boosaardigheid.
  Achter een hofmuur ligt hij in zijn hinderlaag,
en wordt sluipmoordenaar van een die argeloos was.
Zijn ogen zien wel wie zich niet verweren kan!
  Hij loert verdekt - een leeuw tussen opgaand gewas;
hij loert of hij de arme overvallen kan:
hij overvalt hem, trekt het net rondom hem dicht.
  Hij houdt zich weggedrukt, hij kromt zich voor de sprong:
diep te beklagen is wie hem in handen valt.
  'God zal het heus niet merken', denkt hij in zijn hart.'
Hij laat zichzelf niet zien. Hij wordt dit nooit gewaar.'
  Verhef U, Heer! Grijp in met machtige hand, o God!
vergeet Gij dezen niet die neergebogen zijn:
  want waarom mag hun kweller God achten als niets
en mag hij heimelijk denken: 'Hij zoekt geen verhaal?'
  Gij zijt alziende: wat verdriet en moeite is hebt Gij gepeild;
Gij wilt het wegen in uw hand.
Wie haast bezwijkt, hij vindt in u zijn toeverlaat;
er blijft een helper voor de ouderloze: Gij.
  Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert,
vervolg zijn kwaad totdat Gij het verdwenen vindt.
  De Heer zal koning zijn in tijd en eeuwigheid;
dan zijn de heidenen verdwenen uit zijn land.
  Wat de onderdrukten zochten hebt Gij, Heer, verstaan;
Gij hebt hun moed gesterkt, aandachtig toegehoord.
  Zo komt Gij voor de wees, voor de verdrukte op
en geen aards nietig mens die hem nog schrik aanjaagt.

Psalm 9

Bij Psalm 9 - door Greteke de Vries

Op welke melodie? Op ‘Mut labeen’. Dood van de zoon. Dood aan de zoon? Sterf voor de zoon? Droevig of strijdbaar?

Allerhoogste,
Bedrukt was ik
Corona mijn vijand
Dood om mij heen.
En nu voorbij, verslagen,
Fier weer mijn hart
Goddank dat ik leef.

Hoe kan ik dit zeggen
In het midden van de strijd!
Ja, als ik maanden vooruit spring
Kalm wegkijk van nu
Lockdown in huis beleef als geschenk….

Maar het klopt niet, een leugen!
Naargeestig de berichten over
Onwaardig sterven van getelde
Patiënten met ongehoorde noodkreten in
Quarantaine, eenzaam en verdoofd.

Rechter, U, die mij verlost en hen verdelgt?
Scheidsrechter van ons aller lot
Triagist die ons sorteert
U maakt zich zó bekend -
Wreed als de hel om ons te leren?

XXXL, U zeker, en wij mensjes
Ying en passief onder Uw macht?

Zwijgen zal ik, voor U op Uw heilige berg.
Zó is Uw naam voor mij geen veilige burcht.

Zij beseffen het reeds, dat ze mensen zijn!
Zijt Gij hun God?



Deze psalm is een acrostichon: de verzen beginnen steeds met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Dat heb ik nagevolgd.

Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Een psalm van David.

HEER, onze Heer,
hoe machtig is uw naam
op heel de aarde.
U die aan de hemel uw luister toont –
met de stemmen van kinderen en zuigelingen
bouwt u een macht op tegen uw vijanden
om hun wraak en verzet te breken.

Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door u daar bevestigd,
wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt,
het mensenkind dat u naar hem omziet?

U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd:

schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
de vogels aan de hemel,
de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën.

HEER, onze Heer,
hoe machtig is uw naam
op heel de aarde.

Psalm 8

Bij Psalm 8 - door Anneke Nolet

Aanwezige, die er zal zijn,
open toch heel de aarde
voor de macht van uw naam.
Uw naam laat glanzen.

Uit de mond van het kleine
vernemen wij wat u benauwt.
Corona jaagt ons naar binnen
en bij elkaar vandaan.
Welke vijand moet hier ophouden?

Uw mensenkind weet zich nietig
tussen de hemellichamen.
Tegelijk waant de mens zich God op aarde
zo is dit vers ons doorgegeven.

Alles legde u aan onze voeten.
Jezus kreeg in zijn 40-dagen woestijn
koninkrijken aan zijn voeten gelegd
en hij weigerde omwille van uw naam.

Is er in ons heersen iets verkeerd gegaan?
Corona sprong van dier naar mens.
Is meer respect tussen uw schepselen uw wens?

Aanwezige, die er zal zijn
openbaar heel de aarde uw naam.

Voor de koorleider. Op de wijs van De dood van de zoon. Een psalm van David.

Ik wil u loven, HEER, met heel mijn hart,
  vertellen van uw wonderdaden.
Ik wil vrolijk zijn, u toejuichen,
  uw naam bezingen, Allerhoogste,

nu mijn vijanden terugdeinzen,
  ten val komen en onder uw blik vergaan.
Want u hebt mijn rechten verdedigd,
  u nam plaats op uw zetel, rechtvaardige rechter.

U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,
  hun namen uitgewist voor eeuwig.
De vijanden zijn verslagen, uit de herinnering verdwenen.
  U vaagde hun steden weg: ruïnes voor altijd.
Zo vergaat het hun! Maar de HEER zetelt voor eeuwig,
  zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.
Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,
  alle volken berecht hij eerlijk.
Moge de HEER een burcht zijn voor de verdrukte,
  een burcht in tijden van nood.
Wie uw naam kent, kan op u vertrouwen,
  u verlaat niet wie u zoeken, HEER.
Zing voor de HEER die zetelt op de Sion,
  maak aan de volken zijn daden bekend.
Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden,
  de noodkreet van de nederigen vergeet hij niet.
Heb erbarmen, HEER, zie hoe mijn haters mij kwellen,
  draag mij weg van de poorten van de dood.
Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden,
  juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’
De volken verdwijnen in de kuil die zij groeven,
  hun voet raakt verstrikt in het net dat zij heimelijk spanden.
De HEER maakt zich bekend en doet recht,
  door zijn hand komt de goddeloze ten val. higgajon, sela
Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk,
  alle volken die God zijn vergeten.
Maar God vergeet de armen niet,
 voor de zwakken is niet alle hoop verloren.
Sta op, HEER, laat de macht niet aan mensen.
  Mogen de volken berecht worden in uw aanwezigheid.
Jaag ze angst aan, HEER,
  zij moeten weten dat ze mensen zijn. [Sela]

Psalm 7

door Ynze Baumfalk

Een puzzelpsalm, die psalm 7. We weten in de verste verte niet wie die Kus eigenlijk was, waar David zo bang voor was. Zoveel vertalingen, zoveel interpretaties. Wie zegt wat? Wie schiet er pijlen en scherpt het zwaard?

Maar eigenlijk maakt het ook niet zoveel uit. Na drieduizend jaar is de kern van het gedicht nog luid en duidelijk hoorbaar: SOS! Save our souls!
We worden belaagd door een sterke vijand. Het is niet eerlijk. Wij hebben niks gedaan. We zijn onschuldig!
En dan kun je - misschien - God smeken om recht te spreken, en het vonnis uit te voeren, om die vijand een koekje van eigen deeg te geven.
En dan geloven in een happy end waarin je God weer kunt loven.

Er is - naar mijn gevoel - toch een gigantisch verschil met onze angst nu. Er is nu geen zichtbare, hoorbare, ruikbare vijand. Er waart een spook door de wereld dat dood en verderf zaait. Een gif, een stukje gemuteerd erfelijk materiaal, een brokje zichzelf vermenigvuldigend RNA, ribonucleïnezuur.
Zelfs biowetenschappers - waaronder ik mezelf reken - weten in de verste verte niet of je het een organisme mag noemen, of het eigenlijk wel leeft. En dát spul belaagt ons. Om gek van te worden.

En toch: loven mag ik de Heer om zijn gerechtigheid, psalmzingen bij de harp ter ere van zijn naam: de Heer - de Allerhoogste.

Voor de koorleider. Bij snarenspel, op de wijs van De achtste. Een psalm van David.

HEER, straf mij niet in uw woede,
  tuchtig mij niet in uw toorn.
Heb erbarmen, HEER, want ik kwijn weg.
  Genees mij, HEER, ik ben doodsbang,
ik vrees voor mijn leven.
  Hoe lang, HEER, moet ik nog wachten?
Keer terug, HEER, spaar toch mijn leven,
  toon mij uw trouw en red mij.
Want doden noemen uw naam niet meer!
  Wie in het dodenrijk kan u nog loven?
Moe ben ik van zuchten,
  elke nacht is mijn kussen nat,
mijn bed doorweekt van tranen.
Mijn ogen zijn gezwollen van verdriet,
  roodomrand van alles wat mij benauwt.
Weg van mij, allen die kwaad doen!
  De HEER hoort hoe luid ik ween,
de HEER hoort mijn roep om erbarmen,
  de HEER neemt mijn smeekbede aan.
Beschaamd en doodsbang keren mijn vijanden om,
  in een oogwenk met schande bedekt.

Psalm 6

door Greteke de Vries

Snarenspel: liefelijk singersong of snoeiende hardrock?

Ja, ik dacht wel aan schuld toen ik verkouden werd en hoestte, had ik immers maar….
maar ik geloof niet in uw woede,
u tuchtigt mij niet in uw toorn,
deze ellende komt niet van u, zo bent u niet
dit is grillige natuur zonder hart.
Tot U wil ik roepen: heb erbarmen, ik kwijn weg,
genees mij, ik ben doodsbang,
O God, hoelang moet ik nog wachten,
kom terug vanuit de verte, spaar mijn leven,
toon mij uw trouw, en red toch ook mij.
Als ik dood ga sterft uw naam op mijn lippen,
Alleen de levenden houden van u.
Nou dan, het is ook uw eigen belang
dat u mij hier doorheen haalt.
Doodmoe ben ik van mijn gebrekkige asem,
elke nacht is mijn bed doorweekt van de koorts,
mijn kussen een moeras van tranen waarin ik verdrink.
Mijn ogen zijn gezwollen van verdriet
roodomrand van alles wat mij benauwt.
Kom tot mij, allen die goed doen!
God hoort hoe luid ik ween,
roep om erbarmen, smeek om genade.
De dood keert zich om!
U maakt hem te schande,
doodsbang maakt hij zich uit de voeten. Rust!

Psalm 7 (Willibrord vertaling 1975)

1 Een klaagzang van David, die hij zong tot Jahwe, om wat de Benjaminiet Kus hem aandeed.

2 Heer, mijn God, bij U zoek ik toevlucht, verlos mij van al mijn vervolgers, maak Gij dat ik word bevrijd;
3 straks heeft, als een leeuw die zijn prooi grijpt, een mij beet - want er daagde geen redding.
4 Heer, mijn God, als ik dat heb gedaan, als er onrecht kleeft aan mijn handen,
5 wanneer ik kwaad heb gebracht over wie met mij leefde in vrede, of zelfs maar mijn tegenpartij iets ontnomen heb wat mij niet toekwam,
6 laat de vijand mij dan achterhalen, mijn leven vertreden ter aarde, neerwerpen mijn eer in het stof.
7 Verhef U, Heer, in uw toorn, stuit de stormloop van mijn belagers, grijp in: van u gaat het recht uit
8 en de raad der goden omringt U: Gij zult zetelen: hoog boven haar uit.
9 Heer, die richter zijt over de volken, doe mij recht, Heer, zowaar als ik recht sta, zowaar als ik mij zonder schuld weet.
10 Laat het kwaad der verstoorders verdwijnen, verleen de rechtvaardige sterkte: toetst Gij niet hart en geweten, o God die rechtvaardigheid zijt?
11 Mijn schild - dat is Gods bescherming, Hij bevrijdt de oprechten van hart;
12 God, de rechtvaardige rechter, maar een God die kan toornen - altijd.
13 Is een mens onbekeerlijk, dan wet Hij zijn zwaard, spant zijn boog - Hij legt aan,
14 richt op hem zijn dodelijk wapen, maakt zijn pijlen tot schichten van vuur.
15 Zie, er was een mens boordevol boosheid, van kwaad zwanger, zijn kind was verraad:
16 een valkuil delft hij, spit steeds dieper en stort zelf in het gat dat hij groef!
17 Wat hij aanstichtte viel op zijn hoofd, zijn boosaardigheid brak hem de schedel.
18 Loven mag ik de Heer om zijn gerechtigheid, psalmzingen bij de harp ter ere van zijn naam: de Heer - de Allerhoogste.

Psalm 5

door Greteke de Vries

Bij fluitspel? Deze verzuchtingen?
    Eerder toch trompet, klarinet.
    Een gebed in Blues.

Als ik wakker word
overdenk ik de nieuwe dag
voor uw aangezicht.
Deel ik in tweeën, goddelozen en rechtvaardigen?
Mensen die geen acht slaan op maatregelen
of mensen die zichzelf en anderen beschermen?
Mensen die hamsteren en complotten ontwaren,
of mensen die mondkapjes delen, lieve berichten?
Nee, zo simpel kan het niet zijn.
Iedereen toch is én-én?
Ik reken mijzelf nog tot de goedwillenden,
maar onrecht schuilt ook in mij.
Als de nood straks hoog is, veel hoger dan nu –
hoe zal ik dan spreken, wie duw ik op zij?
Wordt mijn lijfsbehoud mijn drijfveer,
alleen het mijne en dat van mijn lief?
In gedachten ben ik in de kerk,
als door de week, leeg, maar vol.
Een wolk gebeden hangt er nog,
het orgel kan er niet verstommen.
Het is Uw ruimte waarop ik mij richt.
Daar klinkt de lofzang,
het Woord van vertrouwen,
daar ligt mijn kompas.
God, wat U doet met de onrechtvaardigen moet U weten.
Maar help mij bij U te schuilen,
te blijven zingen tot eer van Uw naam,
U te zoeken in ieder medemens,
U te ontwaren in het feest van de lente.
Dat zó mijn schild is, mijn bescherming.
God, zegen mij.

Morgengebed
Voor de koorleider. Bij fluitspel. Een psalm van David.

Neem mijn redenen ter ore, o HERE,
  let op mijn verzuchting.
Sla acht op mijn hulpgeroep, o mijn Koning en mijn God,
  want tot U richt ik mijn gebed.
HERE, des morgens hoort Gij mijn stem,
  des morgens leg ik het U voor, en zie uit.
Want Gij zijt geen God, aan wie goddeloosheid behaagt,
  geen boze zal bij U vertoeven;
de verdwaasden houden geen stand voor uw ogen,
  Gij haat alle bedrijvers van ongerechtigheid;
Gij richt te gronde de leugensprekers,
  de HERE verafschuwt de man van bloed en bedrog.
Maar ik zal, dank zij uw grote goedertierenheid,
  uw huis binnengaan,
  mij nederbuigen naar uw heilige tempel in vreze voor U.
HERE, leid mij door uw gerechtigheid
  om mijner belagers wil;
  effen uw weg voor mijn aangezicht.
Want in hun mond is niets betrouwbaar,
  hun binnenste is enkel verderf,
  hun keel is een open graf,
  zij maken hun tong glad.
Doe hen boeten, o God,
  laat hen vallen door hun eigen overleggingen,
  verstoot hen om hun vele overtredingen;
  want zij zijn wederspannig tegen U.
Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen,
  altoos zullen zij jubelen, daar Gij hen beschermt,
  en in U zullen juichen wie uw naam liefhebben.
Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE,
  Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild.

Psalm 4

door Greteke de Vries

Roepen kan ik niet meer,
maar wil mij toch antwoorden.
O God, U hebt het toch goed met mij voor?
Ik ben zo benauwd
Ik hoest mijn longen uit m’n lijf
Ik drink verzengend hete lucht.
Red uit benauwdheid, mij,
en met eenzelfde lot
ook hen die U niet kennen.
U hoort mij toch, Uw vriend, vriendin?
Op bed overweeg ik in mijn hart:
heb ik dit ergens aan verdiend,
te ijdel, gelogen, zonder eer voor God?
In stilte probeer ik U te vinden.
Om ruimte bid ik,
Uw levensadem
mijn leven!
Oh, kon ik maar weer rustig slapen,
Dat verlangen.
U gaf mij vreugde
meer dan brood en wijn.
Ja, doe mij weer veilig leven
met allen die ik lief heb

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van David.

Als ik roep, antwoord mij,
o God mijner gerechtigheid,
die mij ruimte maakt in benauwdheid;
wees mij genadig en hoor mijn gebed.
Gij mannen, hoelang is mijn eer tot versmading,
hoelang hebt gij ijdelheid lief, jaagt gij de leugen na? sela
Weet toch, dat de HERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd;
de HERE hoort, als ik tot Hem roep.
Weest toornig, maar zondigt niet;
spreekt in uw hart op uw leger, en zwijgt. sela
Brengt offers naar de eis
en vertrouwt op de HERE.
Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?
verhef over ons het licht uws aanschijns, o HERE!
Gij hebt meer vreugde in mijn hart gegeven
dan toen hun koren en most overvloedig waren.
In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen,
want Gij alleen, o HERE, doet mij veilig wonen

Psalm 3

Een psalm vol vanzelfsprekendheden - door Esger Renkema

Ik val in slaap en word wakker
slechts heel af en toe denk ik eraan
dat het ook anders had kunnen zijn.

Vaak sta je bij zoiets pas stil als je denkt
wel eens niet wakker te zullen worden.
Als je van alle kanten door gevaar wordt omringd:
talrijke belagers, tienduizenden,
nog wel meer dan dat als het virussen zijn.

Ik vrees de tienduizenden niet
maar dat zeg ik nooit als ik me veilig voel.
Pas als ik bang ben zeg ik dat:
als die tienduizenden er staan,
of zoals nu ineens van de straten verdwenen zijn.

Ben ik eigenlijk wel bang?

U, HEER, bent een schild om mij heen
maar ik heb nog wel andere schilden.
De muren van mijn huis waar nu niemand meer langskomt.
Anderhalve meter afstand in de supermarkt.
De dokters in het ziekenhuis.
Mijn jonge lichaam dat de ziekte vast wel aankan.

Meer schilden dan ik handen en voeten heb!
Waar heb ik God als schild voor nodig?

God zal hem niet redden.
Als je geen ander schild meer hebt,
dàn is God je schild!
En als God alleen je redding is,
hoe eenzaam en verloren ben je dan.

Sta op, HEER, en red mij, God
in deze tijd zeggen velen: er is geen hulp bij God.
En zelf roep ik God meestal ook pas om hulp
als alle andere vanzelfsprekendheid weg is.
God is vaak mijn laatste keus.

U, HEER, bent een schild om mij heen
het is omdat ik dàn pas weer besef,
– als ik mij niet meer kan staande houden –
hoe hard ik zijn schild nodig heb
en steeds nodig heb gehad.

Ik val in slaap en word wakker
en dan pas weet ik ook weer
dat God steeds mijn schild is geweest,
een vanzelfsprekende veiligheid.
Hij heeft mijn vijand op de kaak geslagen,
der goddelozen tanden vergruisd.

Dan durf ik weer te zeggen:
God zal mij antwoorden van zijn heilige berg.
Ik zal gaan liggen, slapen en weer wakker worden.
Want onze zegen was Gods redding.

Een psalm van David, op de vlucht voor zijn zoon Absalom.

HEER, hoe talrijk zijn mijn belagers,
  velen vallen mij aan,
velen zeggen van mij:
  ‘God zal hem niet redden.’

U, HEER, bent een schild om mij heen,
  u bent mijn eer, u houdt mij staande.
Roep ik tot de HEER om hulp,
  hij antwoordt mij vanaf zijn heilige berg.

Ik ga liggen, val in slaap
  en word wakker – de HEER beschermt mij.
Ik vrees de tienduizenden niet
  die mij aan alle kanten omringen.
Sta op, HEER, en red mij, God,
  sla mijn vijanden in het gezicht,
    breek de tanden van de wettelozen.
Bij u, HEER, is redding,
  uw zegen rust op uw volk.

Psalm 2

Naar aanleiding van psalm 2 - door ds Greteke de Vries
Psalmen lezen in tijden van het Corona-virus.
Waar je je indringend mee bezig houdt klinkt mee.

Ook nu woeden de volken
de naties maken rumoer.
Het móet leiden tot iets
behoud van lijf en goed!
Zij richten zich
tegen de Eeuwige en zijn gezalfde
als zij de rijken helpen
en de armen
zonder medicatie heen zenden naar huis.

Neen!
De Eeuwige zal nu toch niet lachen
niet spotten met onze nervositeit
niet toornen over ons werelddorp?
Verbijsterend zou dat zijn.
Wie hebben hier schuld?

Nu wijst Hij toch naar zijn gezalfde,
volk, mens, geliefde,
koning en redder.
Ik roep je vandaag tot leven, sta op!
Die breekt de macht van het zwaard.
Maar tegen zo’n virus:
machteloos, ook deze.
Daarin ons medemens, de lijdende,
drager van ons aller lot.

Oproep aan de koningen: wees verstandig.
Wees gewaarschuwd, leiders van de aarde.
Wie zich in de Eeuwige verheugt
dient de zieken, de zorgenden,
geeft eer aan wie zijn/haar leven geeft voor een ander.
Nee, géén kus, geen omhelzing –
een diepe buiging voor Uw Evenbeeld
dat nooit te gronde gaat.

Gelukkig wie schuilen bij Hem.

Waartoe leidt het woeden van de volken,het rumoer van de naties? Tot niets. De koningen van de aarde komen in verzet,de wereldmachten spannen samentegen de HEER en zijn gezalfde:‘Wij moeten hun juk afwerpen,ons van hun boeien bevrijden.’

Die in de hemel troont lacht,de Heer spot met hen. Dan spreekt hij tot hen in woede,en zijn toorn verbijstert hen: ‘Ikzelf heb mijn koning gezalfd,op de Sion, mijn heilige berg.’

Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken.Hij sprak tot mij:‘Jij bent mijn zoon,ik heb je vandaag verwekt. Vraag het mijen ik geef je de volken in bezit,de einden der aarde in eigendom. Jij kunt ze breken met een ijzeren staf,ze stukslaan als een aarden pot.’

Daarom, koningen, wees verstandig,wees gewaarschuwd, leiders van de aarde. Onderwerp u, toon de HEER uw ontzag,breng hem bevend uw hulde. Bewijs eer aan zijn zoon met een kus,anders ontvlamt zijn woede, en uw weg loopt dood,want bij het geringste ontsteekt hij in toorn.Gelukkig wie schuilen bij hem.

 

Psalm 1

Naar aanleiding van psalm 1 - door ds Greteke de Vries
Psalmen lezen in tijden van het Corona-virus.
Waar je je indringend mee bezig houdt klinkt mee.

Mij vallen onmiddellijk de zondaars op
Spotters, grappenmakers
met een glas bier op een zonnig terras
dicht op elkaar
Ze lachen om de overheid met haar maatregelen
maar die is sowieso niet te vertrouwen
dus waarom zouden wij het ook nu niet beter weten?
Ik hoorde het ze zeggen
Besmettelijke domheid?

Ja, ’t is waar, obsessief zo wat.
Dag en nacht
verdiepen we ons in de maatregelen
van de heren specialisten en bestuurders.
Zonder vreugde, dat wel.
Maar niemand werpt tegen:
te hoog, te ver, te diep, te zwaar.
Nee, het blijkt te doen
voor hen die het zo traag beamen.
Vlak voor ons ligt de weg ten leven!

Maar nu het geld niet meer stroomt
op tijd niets meer levert
de zaken verdorren
de druiven verzuren
waart het kapmes rond -
En waar zij vallen, zij liggen,
de bomen, de pilaren -
maar nóg hebben wij hoop.

Het virus is de wetteloze!
Geen grenzen respecteert hij,
rechtvaardigheid negeert zij
onaantastbaar voor god of gebod.
Toch zal hij verwaaien als kaf op de wind.
Hij houdt geen stand waar verstand heerst
vindt geen blijvende plek in de kring van wie oppast.

O Heer, bescherm toch het leven
van wie hij heeft aangetast,
Dat zijn weg dood loopt en wij leven!

Gelukkig die mensen!

Gelukkig de mens
Die niet meegaat met wie kwaad doen,
Die de weg van zondaars niet betreedt,
Bij spotters niet aan tafel zit,
Maar vreugde vindt in de wet van de Heer
En zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.
Hij zal zijn als een boom,
Geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
Zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.
Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf
Dat verwaait in de wind.
Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
Zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
De Heer beschermt de weg van de rechtvaardigen,
De weg van de wettelozen loopt dood.