Psalm 112

Bij psalm 112 - door Greteke de Vries

Oh dictators aller landen,
opgeklopte leiders van partijen klein en groot,
oh mensen die wetteloosheid tot recht uitroepen
wantrouwen en ijdelheid tot hoogste goed.
Hoe komt het dat jullie dit niet snappen:
dat passende regels vrijheid schenken
dat oprechtheid geen zwakte is
en integriteit licht in het duister.
Wie genadig, liefdevol en rechtvaardig is lacht het langst!
Hoe komt het dat je weg denkt te komen
met cynisme, ontkennen en verdraaien van feiten?
Lees dan: de rechtvaardige komt nooit ten val –
hij is oprecht geliefd en mag blijven!
Lees dan: een vals gerucht zal hij niet vrezen –
hij weet wie het zegt en het deert hem niet,
hij blijft stabiel, onbevreesd gaat hij verder,
de vijand schiet ooit zichzelf wel in de voet.
Royaal deelt hij tijd, goederen en genegenheid,
kloven overbrugt hij door ze zelf over te gaan,
respectvol zien zij hem komen en zetten ook zelf een stap.
Lees dan: kwaadwilligen zien het met ergernis aan,
Ze verbijten zich en verliezen de moed,
Al hun plannen gaan op in rook.

Dat wéten jullie toch?!

 

 

1 Halleluja!
Gelukkig de mens met ontzag voor de HEER
en met liefde voor zijn geboden.
2 Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,
de oprechten worden gezegend.
3 Rijkdom en weelde bewonen zijn huis,
en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.
4 Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister,
genadig, liefdevol en rechtvaardig.
5 Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,
wie zijn zaken eerlijk behartigt.
6 De rechtvaardige komt nooit ten val,
men zal hem eeuwig gedenken.
7 Voor een vals gerucht zal hij niet vrezen,
hij is standvastig en vertrouwt op de HEER.
8 Standvastig is zijn hart en zonder vrees.
Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen.
9 Gul deelt hij uit aan de armen,
zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd,
hij zal stijgen in aanzien en eer.
10 Kwaadwilligen zien het met ergernis aan,
ze verbijten zich en verliezen de moed,
al hun plannen gaan op in rook.

Psalm 111

Bij psalm 111 - door Anneke Nolet

De lof op de Aanwezige in het hele alfabet uitgezet
(haar werk houdt stand in eeuwigheid)

Aanwezige, u wil ik van harte loven,
bedanken in de oprechte kring van de gemeente,
collectief in uw naam.

Dienstbaar uw grootse daden,
eenvoudig na te zoeken,
feitcheckers bestendig.

Glans en luister straalt van uw werk,
heilzame gerechtigheid
in alle eeuwigheid.

Jouw wonderen zo gedenkwaardig!
Kome wat komt,
lovend dragen wij.

Met uw bescherming en erbarmen,
navolgend uw verbond ontvangen wij voedsel,
ontzagwekkend uw aanwezigheid.

Precies in de tijd gedenkt u uw verbond,
qua kracht aan uw volk bekend gemaakt,
renderend het erfgoed van nomaden.

Steeds zijn uw werken,
trouw en gerechtigheid,
uit één stuk wat u instelt.

Verlossing voor uw volk steeds opnieuw,
waarachtig in uw eeuwig geboden verbond,
xenofobie past nomaden niet.

IJverend en vrezend uw naam
zullen zij in wijsheid u altijd loven.

 

1 Halleluja!
Ik wil de HEER loven met heel mijn hart
in de grote kring van oprechten.
2 Machtig zijn de werken van de HEER,
wie ze liefheeft, onderzoekt ze.
3 Zijn daden hebben glans en glorie,
zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.
4 Hij stelde een gedenkdag in voor zijn wonderen,
genadig en liefdevol is de HEER.
5 Hij gaf voedsel aan wie hem vrezen,
eeuwig gedenkt hij zijn verbond.
6 Hij toonde zijn volk de kracht van zijn daden
en gaf hun het land van andere volken.
7 Waarheid en recht zijn het werk van zijn handen,
uit al zijn regels blijkt zijn trouw,
8 ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig,
gemaakt volgens waarheid en recht.
9 Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig zijn verbond ingesteld.
Heilig en ontzagwekkend is zijn naam.
10 Het begin van wijsheid is ontzag voor de HEER,
wie leeft naar zijn wet, getuigt van goed inzicht.
Zijn roem houdt stand, voor altijd.

Psalm 110

Bij psalm 110 - door Greteke de Vries

De ultieme overwinning
door de ultieme vernedering:
God geeft je je vijanden - meervoud
onder je voeten
zij liggen daar als een opstapje
voor jouw troon in de hemel,
jij lacht,
ze zijn jouw slaven geworden,
jouw voetvegen, jouw dweil.

Nu regeer jij,
jij mag spreken, bevelen, eisen,
met je van de Allerhoogste gegeven scepter in de hand.
Een priester ben je voor eeuwig,
door jou heen werkt de Heer,
jij bent zijn rechterhand
die uitvoert zijn verpletterende werk,
de lijken stapelen zich overal op.
Nadat je gewonnen hebt en bijkomt
kijk je omhoog en je wijst: Jij!

Mag het alstublieft satan zijn
onder de voeten van Christus,
esthetisch verantwoord beeld van
onacceptabel geweld!
Maar niet de vijand van de
zonnekoning van Frankrijk
die hij ontwaart in iedere moslim
in naam van zijn god Laicité!

1 Van David, een psalm.
De HEER spreekt tot mijn heer:
‘Neem plaats aan mijn rechterhand,
ik maak van je vijanden
een bank voor je voeten.’
2 Uit Sion reikt de HEER u
de scepter van de macht,
u zult heersen over uw vijanden.
3 Uw volk staat klaar op de dag dat u ten strijde trekt.
Op de heilige bergen, uit de schoot van de dageraad,
komt tot u de dauw van uw jeugd.
4 De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug:
‘Je bent priester voor eeuwig,
zoals ook Melchisedek was.’
5 De Heer aan uw rechterhand
verplettert koningen op de dag van zijn toorn.
6 Hij berecht de volken,
verplettert hoofden, overal op aarde,
lijken stapelen zich op.
7 Hij drinkt onderweg uit de beek
en dan heft hij zijn hoofd.

Psalm 109

Bij psalm 109 - door Anneke Nolet

Aanwezige, zwijg nooit!
Kwaadsprekers zijn rondom mij,
beklemmen mijn ziel,
gunnen mij niet het licht in de ogen,
geen werk in uw dienst.

Aanwezige, zwijg nooit!
Kwaadsprekers zijn rondom mij,
kleineren coronabeleid,
negeren de maatregelen eigengereid,
en nagelen kwetsbaren vast.

Aanwezige, zwijg nooit!
Kwaadsprekers zijn rondom mij,
hun gif verpest dialoog,
torpederen elke ontmoeting,
in eigen-gelijk betoog.

Aanwezige, zwijg nooit!
Kwaadsprekers zijn rondom mij,
bepleiten hebberigheid,
roofbouw van de aarde,
gestolen toekomstperspectief.

Aanwezige, zwijg nooit!
U bent rondom mij,
u kunt de kwaadsprekers breken in hun kwaad,
hun schande komt naar voren.
Vreugde alom.

1 Voor de koorleider. Van David, een psalm.

God, die ik loof, blijf niet zwijgen,
2 want vijandig en bedrieglijk is de mond
van hen die mij beschuldigen,
hun tong spreekt niets dan leugens,
3 ze bestoken mij met woorden van haat,
zonder reden bestrijden ze mij.
4 Ik bid voor hen,
maar mijn liefde roept vijandschap op,
5 ze vergelden goed met kwaad,
woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde:
6 ‘Wijs een gewetenloos man aan
die hem aanklaagt bij de rechter.
7 Dat hij schuldig wordt bevonden
en dat zijn gebed God niet bereikt.
8 Dat zijn dagen geteld zijn,
een ander zijn ambt overneemt,
9 dat hij zijn kinderen vaderloos,
zijn vrouw als weduwe achterlaat.
10 Dat zijn kinderen bedelend rondzwerven,
naar eten zoeken in het puin van hun huizen,
11 dat schuldeisers beslag leggen op zijn bezit
en vreemden roven wat hij moeizaam verwierf.
12 Dat niemand hem trouw blijft,
niemand zich ontfermt over zijn kinderen,
13 dat zijn nageslacht voorgoed verdwijnt,
hun naam na hun leven wordt uitgewist.
14 Dat de schuld van zijn voorouders de HEER in gedachte blijft,
de zonde van zijn moeder niet wordt uitgewist,
15 dat hun zonde en schuld de HEER steeds voor ogen staan
en niemand op aarde hun naam nog gedenkt.
16 Want hij bewees aan niemand trouw,
hij vervolgde zwakken en armen,
wanhopigen dreef hij de dood in.
17 Dat de vloek die hij liefhad hem treft,
de zegen die hij een ander misgunde
hem nooit ten deel zal vallen.
18 Dat de vloek hem als een mantel omhult,
zijn lichaam vult als water,
zijn gebeente doordringt als olie.
19 Dat de vloek als het kleed is dat hij draagt,
als de gordel die hij dagelijks omheeft!’
20 Laat zó de HEER mijn aanklagers straffen,
hen die zelf over mij dit kwaad afroepen.
21 Maar u, HEER, mijn God,
doe voor mij wat tot eer van uw naam is:
bevrijd mij, u bent goed en trouw.
22 Ik ben verzwakt en arm,
gewond in het diepst van mijn hart.
23 Ik verdwijn als een schaduw die lengt,
als een sprinkhaan die wordt afgeschud;
24 mijn knieën zijn slap van het vasten,
ik ben tot op het bot vermagerd.
25 Ik wek de lachlust op,
wie mij ziet schudt meewarig het hoofd.
26 Help mij, HEER, mijn God,
red mij in uw trouw,
27 dan zullen zij weten dat het uw hand is,
dat u, HEER, dit hebt gedaan.
28 Komt van hen de vloek, van u verwacht ik zegen,
schande over mijn belagers, vreugde over uw dienaar,
29 hoon zal het kleed zijn van wie mij aanklagen,
schande de mantel waarin zij zich hullen.
30 De HEER zal ik prijzen met luide stem,
hem loven te midden van velen,
31hij staat de armen terzijde
en redt hen uit de greep van hun rechters.

Psalm 108

Bij psalm 108 - door Greteke de Vries

Hij is gerust gesteld.
Met een vrolijk hart ontwaakt hij,
als het nog nacht is verlangt hij naar de morgen.
Hij juicht, zijn stem klinkt over heel de wereld.

Heeft God zijn oordeel gesproken,
looft hij de Heer voor het resultaat?
De liefde voor het recht reikt hemelhoog
de trouw reikt tot in de hemelen
van het volk dat zich bevrijd weet
van de machtige hand,
gebeden verhoord,
er is gesproken!

Het land is verdeeld,
in het noorden en in het zuiden.
Van mij is het oosten en het westen,
over het rode land klinkt mijn juichkreet,
ook daar voert mijn voet hun vesting binnen.

Tijd voor reflectie
over de macht en de vijand:
wat valt er van God en mens te verwachten,
triomferend vertrappen zij
over en weer
hun tegenstrevers?

Het gejuich zal verstommen,
dan wordt het weer nacht.

1 Een lied, een psalm van David.

2 Mijn hart is gerust, o God,
ik wil zingen en spelen. Mijn ziel,
3 ontwaak met harp en lier,
ik wil het morgenrood wekken.

4 U, HEER, zal ik loven in heel de wereld,
over u zingen voor alle volken.
5 Hemelhoog is uw liefde,
tot aan de wolken reikt uw trouw.
6 Verhef u boven de hemelen, God,
laat uw glorie heel de aarde vervullen.
7 Bevrijd uw geliefde volk,
help het met uw machtige hand, verhoor mij.
8 God heeft gesproken in zijn heiligdom:

‘Juichend zal ik Sichem verdelen,
het dal van Sukkot uitmeten.
9 Van mij is Gilead, van mij is Manasse,
Efraïm is de helm op mijn hoofd,
Juda de scepter in mijn hand.
10 Moab is mijn wasbekken,
op Edom zet ik mijn voet.
Over Filistea klinkt mijn juichkreet.
11 Wie voert mij de vesting binnen,
wie zal mij naar Edom leiden?

12 Bent u het niet, God,
u die ons verstoten had,
voert u niet, God, onze legers aan?
13 Sta ons bij tegen de vijand,
de hulp van mensen is vergeefs.
14 Met God zullen wij triomferen,
hij zal onze vijanden vertrappen.

Psalm 107

Bij psalm 107 - door Greteke de Vries

Het volk spreekt van verlossing
uit de greep van zijn tegenstrever,
het komt juichend bijeen uit alle windstreken
omdat het zich bevrijd weet van zijn angst.

Het land was een woestenij geworden,
een onherbergzaam oord voor velen
met onveilige wegen en steden,
de uitputting nabij –
zij riepen om gerechtigheid
om verlossing schreeuwden zij,
zij kwijnden van uitputting weg.
Het was of zij weer slaven waren,
moesten buigen onder een verzwaarde last
als straf voor hun verzet tegen hun meester,
opgeborgen in stinkende holen,
in ijzeren boeien geslagen zonder daglicht.

Tot wie schreeuwden zij,
tot wie richtten zij hun hoop?
Goddank, het wonder is geschied,
De deuren die hen gevangen hielden zijn verbrijzeld,
de grendels verbroken,
dorstigen krijgen te drinken,
hongerigen eten volop.

Er waren er die een wetteloos leven leidden
maar ze gingen er zelf onder gebukt,
niets kon hen verzadigen,
zij waren zonder adem de dood nabij.

Tot wie schreeuwden zij om hulp,
tot wie richtten zij hun hoop op leven?
Zijn zij nu gered uit vele gevaren,
weer terug bij de levenden, vol energie?

Goddank, het wonder is geschied,
Laten zij hun dank uitspreken
en zich bezinnen op hoe dit is gebeurd.

Ze beleefden de meest roerige tijden,
machtige golven sloegen over hen heen,
hoog op en diep neer werden zij bewogen,
hun maag keerde om van ellende,
ze tolden en tuimelden als dronkaards,
alle kennis baatte hun niets.

Tot wie schreeuwden zij,
tot wie richtten zij hun hoop?
Wie leidde hen weg uit hun vele gevaren
wie bracht de storm tot zwijgen,
deed de golven liggen,
hoe vonden zij een veilige haven?

Goddank, het wonder is geschied,
de democratie moet het volk nu eren,
loven de democratie de kring van politici.

Zij weten nu zeker dat het kan:
van rivieren woestijn maken,
van waterbronnen een dorstig land,
van vruchtbare vlaktes een zoutzee –
maar ook:
van woestijnen waterland
van een dor gebied een bronrijke streek.

Het gewone leven kunnen zij omhelzen:
eten, drinken komt er genoeg,
een huis om in te wonen,
een stad van vrede,
een akker en een wijngaard
met een rijke oogst.
Mensen krijgen weer kinderen,
hun welvaart neemt toe.

Niet gezegend waren zij door alle ellende,
door lasten van onheil en verdriet,
de schande die zij moesten verdragen,
hun dolen in de chaos zonder deur.

Wie oprecht zijn zien het met blijdschap,
wie onrecht doet zwijgt.

De wijze durft te vertrouwen:
hier loopt de weg van het recht,
hier is te vinden de trouw van de Heer.

1 ‘Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 2 Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost, die hij verloste uit de greep van de angst, 3 bijeenbracht uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. 4 Soms doolden zij door de woestijn, maar een weg in de wildernis, een stad, een woonplaats vonden ze niet. 5 Ze kregen honger en dorst en kwijnden van uitputting weg. 6 Ze riepen in hun angst tot de HEER – hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren, 7 hij wees hun de rechte weg, de weg naar een stad, een woonplaats. 8 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 9 wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten. 10 Soms woonden zij in donkere krochten als slaven met ijzeren boeien, 11 want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet, de raad van de Allerhoogste verworpen, 12 hij liet hen buigen onder een zware last, ze vielen, en er was niemand die hielp. 13 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER – hij heeft hen gered uit vele gevaren, 14 haalde hen weg uit donkere holen en brak hun boeien aan stukken. 15 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 16 bronzen deuren heeft hij verbrijzeld, ijzeren grendels verbroken. 17 Soms leidden zij een lichtzinnig leven en gingen onder hun zonden gebukt, 18 ze gruwden van elk voedsel en waren de poorten van de dood nabij. 19 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER – hij heeft hen gered uit vele gevaren, 20 hij zond zijn woord en genas hen, ontrukte hen aan het graf. 21 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 22 laten zij hem dankoffers brengen, juichend zijn daden bezingen. 23 Soms daalden zij af naar zee, gingen scheep en bevoeren het wijde water, 24 ze zagen de daden van de HEER, zijn wonderen op de oceaan. 25 Hij sprak en ontketende storm, hoog zweepte hij de golven op. 26 Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte, hun maag keerde om van ellende, 27 ze tolden en tuimelden als dronkaards, alle kennis baatte hun niets. 28 Ze riepen in hun angst tot de HEER – hij leidde hen weg uit vele gevaren, 29 hij bracht de storm tot zwijgen, de golven gingen liggen. 30 Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam, hij bracht hen naar een veilige haven. 31 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 32 hem hoog verheffen als het volk bijeen is, hem loven in de kring van de oudsten. 33 Hij maakt van rivieren woestijn, van waterbronnen dorstig land, 34 van vruchtbaar land een zoutzee vanwege het kwaad van de bewoners. 35 Hij maakt van woestijnen waterland, van dor gebied een bronrijke streek. 36 Hij laat daar wonen wie honger leden, zij stichten een stad, een woonplaats, 37 zaaien akkers in, planten wijngaarden, met een rijke oogst aan vruchten. 38 Zegent hij hen, zij worden zeer talrijk en ook hun vee breidt zich uit, 39 zegent hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen onder de last van onheil en verdriet. 40 Hij stort schande uit over de aanzienlijken, hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg; 41 de armen behoedt hij voor slavernij, hun families maakt hij talrijk als kudden. 42 Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap, wie onrecht doet, moet zwijgen. 43 De wijze neemt dit ter harte en kent de trouw van de HEER.

Psalm 106

Bij psalm 106 - door Greteke de Vries

Is er één ander volk dat het eigen domme verleden
tegen het licht en in herinnering houdt?

Zo zou het de eigen zonden kunnen gedenken: 
bestuurlijk falen en manipulatieve praktijken,
achteloosheid over het zoeken naar waarheid, 
onoplettendheid op wat wijsheid is.

Onverzadigbaar vraten wij onze buiken vol,
we daagden uit wie voor ons opkwam,
onze afgunst leidde steeds weer tot strijd om de macht
en opende diepe afgronden van ellende.
Wij tastten onze eer aan door ons toe te vertrouwen
aan stomme goden van geld en macht;
we negeerden het goede dat zomaar geschonken wordt,
we vertrouwden niet wie ons steeds weer genadig is.
Klagend over fraude en doof voor andere geluiden
fokten we onszelf en anderen op voor de strijd,
we kozen voor meepratende godjes die ons misleidden,
we hadden geen moreel kompas
en vraten alles wat ons werd opgediend.
We offerden onze kinderen aan de mammon van onze gretigheid,
vergoten bloed van onschuldigen die voor onze welvaart sloofden.
Een burgeroorlog dreigde ons land te teisteren,
wij riepen om law and order,
maar na ons kwam de zondvloed dan maar.
We vergisten ons in wat kwetsbaar en te beschermen is.
We hoereerden er lustig op los met wie ons wilde betalen.

Maar nu wij berouw hebben
en toegeven hoe slecht het ons gaat
kijken wij om naar hulp,
redding vinden wij waar we het niet verwachten,
trouw en medelijden verzacht ons hart.
Wij ontdekken medemenselijkheid en vinden vrede. 

Halleluja! Loof de Heer, want hij is goed!

 

 

 

 

1 Halleluja!
Loof de HEER, want hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
2 Wie kan zijn machtige daden verwoorden,
wie de roem van de HEER laten klinken?
3 Gelukkig wie zich houden aan het recht
en doen wat rechtvaardig is, telkens weer.
4 Denk aan mij, HEER, uit liefde voor uw volk,
zie naar mij om wanneer u het komt redden,
5dan zal ik uw uitverkorenen gelukkig zien,
vreugde vinden in de vreugde van uw volk,
vervuld zijn van trots op uw liefste bezit.
6 Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,
wij hebben gefaald en kwaad bedreven.
7 Toen onze voorouders in Egypte waren,
sloegen zij geen acht op uw wonderen,
dachten zij niet aan uw tekenen van trouw,
en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.
8 Toch redde hij hen, tot eer van zijn naam,
om hun zijn macht te tonen.
9 Op zijn dreigen viel de Rietzee droog,
hij leidde hen door de diepte als door een woestijn.
10Hij redde hen uit de greep van hun haters,
verloste hen uit de greep van de vijand.
11Het water bedekte hun belagers,
niet één van hen bleef in leven.
12 Toen hadden zij vertrouwen in zijn woorden
en bezongen ze zijn roem,
13 maar snel vergaten zij wat hij gedaan had,
ze wachtten niet geduldig zijn plannen af.
14 Onverzadigbaar was hun eetlust in de woestijn,
ze daagden God uit in het dorre land.
15 Hij gaf hun wat zij verlangden,
zo veel dat ze erin stikten.
16 In het kamp werden zij afgunstig op Mozes,
en op Aäron, de heilige dienaar van de HEER.
17 De aarde opende zich: verzwolgen werd Datan
en bedolven de bende van Abiram.
18Vuur verbrandde hun aanhang,
een felle vlam heeft de schuldigen verteerd.
19 Zij maakten een stierkalf bij de Horeb
en bogen zich voor een stuk metaal.
20 God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld
van een dier dat gras eet.
21 Vergeten waren zij God, hun redder,
die iets groots had verricht in Egypte,
22wonderen in het land van Cham,
geduchte daden bij de Rietzee.

Etc.

Psalm 105

Bij psalm 105 - door Greteke de Vries

Een volk dat verhalen blijft vertellen over de eigen geschiedenis raakt nooit opnieuw in ballingschap.
Vergeten zullen zij hun slavernijverleden niet,
voorbereid zijn zij op wat mis kan gaan, én goed.
Dat volk snapt waar het vandaan komt
deelt pijn in het gezamenlijke geheugen,
trekt lering uit gebeurtenissen van ooit.
De lange weg naar bevrijding door G-d
en hun zelfstandigheid als volwassen volk
bewandelt het ieder jaar opnieuw met allen die zijn voorgegaan.
Dat ellende gekeerd kan worden in redding
geeft hen moed. Morgen, misschien!
Met leefregels houden zij de boze buiten de deur.
Zij blijven chaos weren en heil verwachten.

Zij daarentegen die menen zélf
hun volk te moeten bevrijden
– wie is ook al weer de vijand en waarom?,
die ten strijde trekken om hun god te redden en zijn profeet,
- alsof die daarop zitten te wachten,
wat weten zij van geschiedenis,
van het verstrijken van de tijd met
opvallende en ongemerkte veranderingen –
een proces dat altijd bestaat uit
ploeteren en wachten,
wonderlijke reddingen en onverwachte wendingen,
geleidelijkheid en lange aanlopen,
morren en terugverlangen naar ooit,
stapjes vooruit en stapjes terug;
en van grote verhalen die steeds weer worden doorverteld, ter versteviging van wijsheid om in vrede te kunnen samenleven onder de ogen van onze ene God?

Wat draagt bij aan jullie geweld, mannen van ISIS,
wat motiveert jullie tot het oppoken van vuur
dat vijanden moet verdelgen. Vijanden
- dat zijn mensen die vrienden hadden kunnen zijn onder andere omstandigheden.

Waarom zijn wij in Europa voor jullie de Nazi’s?

 

1 Loof de HEER, roep luid zijn naam,
maak zijn daden bekend onder de volken,
2 zing en speel voor hem,
spreek vol lof over zijn wonderen,
3 beroem u op zijn heilige naam.
Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.
4 Zie uit naar de HEER en zijn macht,
zoek voortdurend zijn nabijheid.
5 Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan,
de oordelen die hij heeft uitgesproken,
6 nageslacht van Abraham, zijn dienaar,
kinderen van Jakob, door hem verkozen.
7 Hij is de HEER, onze God,
zijn besluiten gelden over de hele aarde.
8 Tot in eeuwigheid zal hij gedenken
zijn belofte aan duizend geslachten,
9 het verbond dat hij sloot met Abraham
en voor Isaak bevestigde met een eed.
10 Voor Jakob verhief hij het tot wet,
voor Israël tot een eeuwig verbond,
11 toen hij zei: ‘Ik zal jou Kanaän geven,
dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’
12 Toen zij daar nog maar korte tijd waren,
een handjevol vreemdelingen,
13 zwierven zij van volk naar volk,
van het ene koninkrijk naar het andere.
14 Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte,
ter wille van hen strafte hij koningen:
15 ‘Raak mijn gezalfden niet aan,
doe mijn profeten geen kwaad.’

Etc.

Psalm 104

 Bij psalm 104 - door Greteke de Vries

Wat zou er gebeurd zijn met onze wereld
als het woord aan de poëten was gebleven -
hun verwondering over tentdoek en pijlers,
vleugels van de wind, stemmen in het vuur,
water dat zich temmen laat
aarde die voedsel voortbrengt op z’n tijd?
We zouden in geweven kleren lopen van schapenwol,
herders waren we en keuterboeren.
een enkeling was schrijver of voordrachtskunstenaar.
Depressies zouden we niet kennen,
machteloos hoefden wij ons niet te voelen
want wij beseften hoe beperkt al ons kunnen was,
met meer dan het voorhandene waren wij niet bekend.

Misschien trof ons af en toe de Q koorts of
stierven gekke koeien en een enkel mens met hen.
Maar wij zouden wachten tot de infecties vanzelf verdwenen waren,
we telden niet en maakten geen grafieken.
Wij hoefden niet in quarantaine,
want wij kwamen toch al nergens.
Ambities hadden wij geen grotere
dan het goed te hebben met elkaar:
verwarmende wijn delen en versterkend brood.
Met glimmende olie in onze haren maakten wij elkaar het hof
en dan gingen we 's avonds zingen, dankliederen voor de Heer
die in een mantel van licht en op zijn wolkenwagen
langs de hemel vloog om ons te bezoeken,
ten goede en ten kwade,
ook hier wachtten wij maar weer af.

Wij waren simpel gebleven,
eenvoudige mensen in een wereld waarover wij ons verwonderden,
haar onderwerpen deden wij niet.

Waarom moesten wij zo nodig de mond van de poëten snoeren?

 

1 Prijs de HEER, mijn ziel.
HEER, mijn God, hoe groot bent u.
Met glans en glorie bent u bekleed,
2 in een mantel van licht gehuld.
U spant de hemel uit als een tentdoek
3 en bouwt op de wateren uw hoge zalen,
u maakt van de wolken uw wagen
en beweegt u op de vleugels van de wind,
4 u maakt van de winden uw boden,
van vlammend vuur uw dienaren.
5 U hebt de aarde op pijlers vastgezet,
tot in eeuwigheid wankelt zij niet.
6 De oerzee bedekte haar als een kleed,
tot boven de bergen stonden de wateren.
7 Toen u dreigde, vluchtten zij weg,
toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:
8 naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,
naar de plaatsen die u had bepaald.
9 U stelde een grens die zij niet overschrijden,
nooit weer zullen zij de aarde bedekken.
10 U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
11 Het drenkt alles wat leeft in het veld,
de wilde ezels lessen er hun dorst.
12 Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.
13 U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,
de aarde wordt verzadigd en vruchtbaar:
14 gras laat u groeien voor het vee
en gewassen die de mens moet verbouwen.
Zo zal hij brood winnen uit de aarde
15 en wijn die het mensenhart verheugt,
geurige olie die het gelaat doet stralen,
ja, brood dat het mensenhart versterkt.

etc. 

Psalm 103

Bij psalm 103, door Wilken Veen

Het liefst zing ik deze psalm in de beknopte Engelse versie (als 103e nu opgenomen in het nieuwe Liedboek): Bless the Lord, my soul. En dan op de manier van Taizé als meermaals herhaalde chant. In de meeste vertalingen is dat ‘zegen’, het zes keer klinkende themawoord van deze psalm, vertaald als ‘looft’ of ‘prijst’. De gedachte daarachter is een taalkundige en een theologische. Er wordt gedacht: God zegent ons en wij prijzen en loven God, want verschil moet er zijn, hij is God en wij zijn (maar) mensen. God is de enige die zegent, of misschien de priester of dominee die namens God zegent, de paus met zijn urbi en orbi, maar ‘gewone mensen’ die zegenen niet. Daarmee wordt ook duidelijk hoezeer we los zijn geraakt van het Jodendom, waarin deze psalm geboren is. Een gelovige Jood spreekt meerdere malen per dag een ‘beracha’, een zegening uit: baruch atah adonai elohenu melech ha-olam… (gezegend zijt gij, heer onze god, koning der wereld…). Waarom zegenen wij God? Om allerlei dingen (het graan, dat opkomt uit de akker, de vrucht van de wijnstok) maar bovenal omdat hij ons zijn wet, de Tora, heeft geschonken, zodat wij een richtlijn hebben hoe te leven. Het mooiste verhaal dat ik daarover ken, komt overigens niet uit het Jodendom, maar uit het beroemde boek van Nobelprijswinnaar William Golding Lord of the flies. Het vertelt het verhaal over een groep Engelse kostschooljongens die na een schipbreuk achterblijven op een tropisch eiland. Binnen de kortste keren splitst de groep zich op in twee delen, het kleinere, onder leiding van Ralph die onder alle omstandigheden een vuur brandend wil houden in de hoop gered te worden en de grotere groep onder leiding van Jack, die zichzelf de jagers noemen en denken dat hun grootste winst is, dat ze verlost zijn van leraren die hen zeggen wat ze te doen hebben. Op het hoogtepunt van hun onderlinge strijd spreekt Ralph de door mij (ik las het boek als middelbare scholier) nooit vergeten historische woorden: ‘what do you want, have rules and obey or live like animals’. Daarom zegenen wij God, omdat hij ons regels heeft gegeven. Regels die juist de zwaksten moeten beschermen. Regels die gebaseerd zijn op barmhartigheid en recht. De zegen gaat, zoals de zegen aan Abraham, heen en weer tussen God en mens en tussen de mensen onderling. We mogen het tegen elkaar en af en toe ook tegen onszelf zeggen: we zijn gezegend, we mogen er zijn, we mogen elkaar tot zegen zijn, zo zegent de Eeuwige ons. Ons leven is zo kwetsbaar (we zijn als het gras) dat beseffen we in deze dagen nog meer dan voorheen, laten we er daarom dankbaar en voorzichtig mee omgaan. Hoe bang ik ook ben voor autocraten, die ons hun harde wet voor willen schrijven, in deze tijden van corona ben ik toch dankbaar, dat er regels, richtlijnen worden gegeven om de grootste gevaren in te dammen.

 

(Van David)

Zegen, mijn ziel, de HEER
en al wat in mij is zijn heilige naam
Zegen, mijn ziel, de HEER
en vergeet niet al zijn weldaden
die al je ongerechtigheden vergeeft
die al je ziekten geneest
die je leven uit de groeve verlost
die met goedertierenheid en barmhartigheid je kroont
die je volwassenheid verzadigt met het goede
zodat je jeugd zich vernieuwt als een arend.

Hij doet gerechtigheden, de HEER
rechtsdaden aan alle verdrukten
hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend
aan de zonen van Israël zijn handelen

Barmhartig en genadig is de HEER
lankmoedig en groot in goedertierenheid
niet voortdurend twist hij
niet voor altijd toornt hij
niet naar onze zonden doet hij ons
niet naar onze ongerechtigheden handelt hij aan ons
maar zo hoog de hemel is boven de aarde
is zijn goedertierenheid overmachtig voor wie hem vrezen
zo ver verwijderd het Oosten is van het Westen
verwijdert hij van ons onze overtredingen
zoals zich erbarmt een vader over zijn zonen erbarmt zich de Heer over wie hem vrezen

Want hij weet hoe wij gevormd zijn
gedachtig, dat wij stof zijn
het mensje, zijn dagen zijn als het gras
als een bloem van het veld zo bloeit hij:
wanneer de wind er overheen vaart, is ze weg
en haar plaats kent haar niet meer
maar de goedertierenheid van de HEER
is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie hem vrezen
zijn gerechtigheid over kinds-kinderen
over wie zijn verbond bewaren
over wie zijn inzettingen gedenken om die te doen

De HEER, in de hemel heeft hij zijn troon gevestigd
zijn koningschap heerst over alles
zegent de HEER, gij zijn boden
gij sterke helden, die zijn woord doet
door te horen naar het klinken van zijn woord!
zegent de HEER, gij al zijn scharen
zijn dienaren, die zijn wil doet!
zegen de HEER, gij al zijn werken
op alle plaatsen van zijn heerschappij!
zegen, mijn ziel, de HEER.

(vertaling Karel Deurloo 1986)

Psalm 102

Bij psalm 102, door Anneke Nolet

Gebed van één in doodsnood
die voor het aangezicht van de Aanwezige
zijn verzuchting slaakt.

Aanwezige, hoor!
Laat mijn roepen tot je komen,
neig je oor tot mij,
antwoord mij vandaag nog
in deze dag van benauwenis.

Mijn toekomst valt weg,
mijn lijf verschrompelt,
mijn hart verdort,
op eten sla ik geen acht,
ik ben slechts klacht.

Mijn lichaam was al ziek.
Het ziekenhuis in corona-regime
hield bezoek van mij weg.
Eindelijk thuis
bleek mijn vrouw 'positief'.
Nu ben ik alleen in huis
gemeden door vrienden.
Met zulke vrienden
geen vijanden nodig
om non-existent te zijn.

Maar jij, doe jij
je naam nog eer aan?
Je beloofde leven,
nu kan ik gaan.
Zoals de aarde trouwens.

Maar jij, Aanwezige,
bent er voor altijd.
Kome wat komt.
Mag ik dan nog hopen
dat geslacht na geslacht
je zal kennen?

Ja jij, ontferm je!
Volkeren komen samen
erend jouw schepping,
bouwend jouw stad.
Ontferm je!

Schraag toch hun bouwen,
toon daar je luister
schitterend als de herfst.
Blaas weg ongerechtigheid,
hoor de stommen,
bevrijd de verdrukten,
en zij zullen je kennen.

Onderweg heb je mijn kracht gebroken,
verkortte je mijn dagen.
Ik vraag je: beveel nooit mijn heengaan
op de helft van mijn dagen.
Want jij blijft jij.
Je luisteraars mogen woning vinden
en hun nakomelingen kunnen oprecht rechtop gaan.

 

1 Gebed van een ongelukkige die dreigt te bezwijken en zijn klacht uitstort voor de HEER.
2 HEER, hoor mijn gebed,
laat mijn hulpkreet u bereiken.
3 Verberg uw gelaat niet voor mij,
nu ik in nood verkeer.
Wil naar mij luisteren,
antwoord mij haastig nu ik roep.
4 Mijn dagen vervliegen als rook,
mijn gebeente gloeit als vuur.
5 Mijn hart is verschroeid en verdord als gras,
ik vergeet mijn brood te eten.
6 Ik ben door mijn klagen
tot op het bot vermagerd.
7 Ik ben als een uil in de woestijn,
een steenuil in een verlaten bouwval,
8 slaap ken ik niet, ik ben eenzaam
als een vogel op het dak.
9 Mijn vijanden honen mij weg,
heel de dag word ik bespot en verwenst.
10 As is het brood dat ik eet,
het water dat ik drink vermeng ik met tranen,
11 want uw toorn is tegen mij ontbrand,
u tilde mij op en smeet mij neer.
12 Mijn dagen gaan heen als een schaduw,
ik moet verdorren als gras.
13 Maar u, HEER, troont voor eeuwig,
uw roem zal duren, geslacht na geslacht.
14 U zult opstaan en u over Sion ontfermen,
de tijd van genade is gekomen, dit is het uur,
15 want uw dienaren hebben de stenen van Sion lief,
de ruïnes vervullen hen met deernis.
16 Alle volken zullen de naam van de HEER vrezen,
alle koningen van de aarde zijn majesteit eren
17 als de HEER Sion heeft opgebouwd
en hij in majesteit is verschenen,
18 als hij zich neigt tot het gebed van de ontheemden
en zich van hun bidden niet afkeert.
19 Laat dit voor het nageslacht worden opgeschreven,
dan zal een herboren volk de HEER loven
20 als de HEER heeft neergezien van zijn heilige hoogte,
zich vanuit de hemel naar de aarde heeft neergebogen
21 om het zuchten van gevangenen te horen,
om vrij te laten wie de dood nabij zijn.
22 Dan wordt in Sion de naam van de HEER geprezen,
zijn lof gezongen in Jeruzalem
23 als volken en koninkrijken bijeenkomen
om de HEER te aanbidden.
24 Hij heeft halverwege mijn kracht gebroken,
hij heeft mijn levensdagen verkort.
25 Ik smeek: Mijn God,
neem mij niet midden in het leven weg,
uw jaren duren van geslacht op geslacht.
26 Vóór alle tijden hebt u de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van uw handen.
27 Zij zullen vergaan, maar u houdt stand,
zij zullen als kleren verslijten,
u verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen,
28 maar u blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde.
29 De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen,
ook op hun nageslacht rust uw oog.

Psalm 101

Bij psalm 101, door Greteke de Vries

Een vorm van radicaal leiderschap
komt in een lied tot ons.

Zingend in de badkamer of bij het ontbijt
prent hij zich zijn hoge standaard in.
Misschien zingt zijn vrouw mee
of zijn liefste minister?

Misverstanden laat ik ook vandaag niet bestaan.
Ik zal verstandig handelen met een oprecht hart.
Ik ga voor niet minder dan het volmaakte.
Voor barmhartigheid en recht.
Er aan gaan zij die corrupt zijn.
Zij die manipuleren met roddel en achterklap werk ik weg.
Uitschakelen zal ik hen die met boze ambities mij dwars zitten.
Sluwe spindoctors vertrouw ik niet.
Vuile spelletjes zijn met mij niet te spelen.
Arrogante blikken van hen die zich boven mij verheffen
verdraag ik niet.
Wie a zegt en b doet zal ik ontslaan.
Mooipraters wijs ik direct de deur.
Ik blijf zoeken naar wie loyaal zijn en blijven.
Zij zijn mijn medewerkers in mijn paleis.

Wie moet ik vanochtend nou weer ombrengen,
Welke onrechtbedrijvers roei ik deze morgen uit uit mijn stad?

 

 

 

Regeringsverklaring (Herziene Staten Vertaling)
1 Een psalm van David.
Ik zal zingen van goedertierenheid en recht,
voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.
2 Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.
Wanneer zult U tot mij komen?
Ik zal binnen mijn huis wandelen
met een oprecht hart.
3 Ik zal mij geen verdorven praktijken
voor ogen stellen.
Ik haat wat de afvalligen doen,
hun daden zullen zich niet aan mij hechten.
4 Het slinkse hart zal ver van mij weggaan,
de kwaaddoener zal ik niet kennen.
5 Wie zijn naaste in het geheim lastert,
hem zal ik ombrengen.
Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart,
hem zal ik niet verdragen.
6 Mijn ogen zijn gericht op de trouwe mensen in het land,
opdat zij bij mij zullen zitten.
Wie op de volmaakte weg gaat,
die zal mij dienen.
7 Wie bedrog pleegt,
zal binnen mijn huis niet verblijven.
Wie leugens spreekt,
zal voor mijn ogen geen stand houden.
8 Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.

 

Psalm 100

Bij psalm 100, door Greteke de Vries

Weken ben je van de kaart
zonder aanwijsbare reden.
De wereld is op hol
Je lijf vertoont kuren
Je relatie hapert
Je geest vertraagt
Je voelt je dom en overbodig.
En dan - God weet hoe
sta je weer op scherp,
is het vuur terug
verdwijnen de pijntjes
en is de wereld meer dan
covid, economie en woede.
Een loflied stijgt op in je ziel.
Je móet zingen.
Je zoekt het adres
van wie je bedanken wilt.
De Heer - dan maar -
is goed,
Zijn liefde duurt eeuwig
dat raadselachtige herstel
die geschonken veerkracht,
van geslacht op geslacht.

Niet de zondvloed telt
maar Zijn, of Haar, zegen.

 

 

1 Een psalm voor het dankoffer.
Juich de HEER toe, heel de aarde,
2 dien de HEER met vreugde,
kom tot hem met jubelzang.
3 Erken het: de HEER is God,
hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe,
zijn volk zijn wij, de kudde die hij weidt.
4 Kom zijn poorten binnen met een loflied,
hef in zijn voorhoven een lofzang aan,
breng hem hulde, prijs zijn naam:
5 de HEER is goed,
zijn liefde duurt eeuwig,
zijn trouw van geslacht op geslacht.

Psalm 99

Bij psalm 99, door Greteke de Vries

Het volk is koning – koning, beef!
Het troont op de zetel van de democratie - Oranje, sidder!
Groot is de menigte op twitter en insta,
uitgestegen boven de koning en zijn huis.
Uw naam, o volk, moet de koning loven,
zo groot en geducht, zo verheven zijt gij.

Machtige burgers die het recht beminnen,
u stelde rechtvaardige wetten vast.
Recht en gerechtigheid in dit land:
zij zijn uw werk.
Breng hulde aan het volk, o koning,
buig u neer aan zijn voeten,
heilig zijn naam.

Want: dit is een volk van vergeving!
Maar ook: een volk dat misstappen straft.
Breng hulde aan het volk als aan een godheid,
Buig u neer voor zijn heilige verontwaardiging.
Volmaakt is de stem van het volk, onze god.

Maar morgen wordt in de krant weer de vis verkocht,
gaan de priesters der waarheid voor in een nieuwe liturgie,
scanderen profeten alweer een andere naam.

Eeuwig, echter, is Uw Naam.

1 De HEER is koning – volken, beef!
Hij troont op de cherubs – aarde, sidder!
2 Groot is de HEER op de Sion,
verheven is hij boven alle volken.
3 Uw naam moeten zij loven,
zo groot en geducht.
Heilig is hij.
4 Machtige koning, die het recht bemint:
u stelde rechtvaardige wetten vast.
Recht en gerechtigheid in Jakob:
ze zijn uw werk.
5 Breng hulde aan de HEER, onze God,
en buig u neer aan zijn voeten.
Heilig is hij.

6 Mozes en Aäron waren zijn priesters,
ook Samuel riep zijn naam.
Riepen zij tot de HEER, hij antwoordde;
7 in de wolkkolom sprak hij hen toe
en zij onderhielden zijn geboden,
de wet die hij hun gaf.
8 HEER, onze God, u hebt hun geantwoord.

U was voor hen een God van vergeving
en een God die hun misdaden strafte.
9 Breng hulde aan de HEER, onze God,
en buig u neer voor zijn heilige berg.
Heilig is de HEER, onze God.

Psalm 98

Bij psalm 98, door Greteke de Vries

Een weldadig lied van na de strijd
en zoete overwinning.
Geen joelen, tieren, schelden willen wij nog horen,
de hamer slaat de vijand niet meer plat,
en niemand sluit zich zelf nog op in angst.
Wij zullen zingen
juichend en jubelend,
lieren, ramshoorns en trompetten vallen in.
De zee vergezelt ons borrelend en grinnikend,
het land en alle bewoners doet de wave
en oh, die klappende rivieren, kletsend en klotsend,
samen met de bergen, hupsend en hopsend…
Ja, ons wacht een lichte toekomst,
wij staan op de uitkijk of Hij al komt
Die ruimte schept en vrijheid ademt -
gestalte van liefde en trouw voor zijn volk.
Wij zingen alvast voor die komende een hartverwarmend lied –
anders houden wij ons leven van nu niet vol!

 

1 Een psalm.
Zing voor de HEER een nieuw lied:
wonderen heeft hij verricht.
Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.
2 De HEER heeft zijn overwinning bekendgemaakt,
voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.
3 Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw
voor het volk van Israël.
De einden der aarde hebben het gezien:
de overwinning van onze God.
4 Juich de HEER toe, heel de aarde,
juich en jubel, zing het uit.
5 Zing voor de HEER bij de lier,
laat bij de lier uw lied weerklinken.
6 Blaas op de ramshoorn en de trompetten,
juich als de HEER, uw koning, verschijnt.
7 Laat bruisen de zee en alles wat daar leeft,
laat juichen de wereld met haar bewoners.
8 Laten de rivieren in de handen klappen
en samen met de bergen jubelen
9 voor de HEER, want hij is in aantocht
als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal hij de wereld berechten,
de volken oordelen naar recht en wet.

 

 

Psalm 97

Bij psalm 97, door Greteke de Vries

Zij die beelden aanbidden -
gestaltes fixeren en ervoor buigen,
die zich beroemen op goden van niets,
gezwollen borsten, wij horen bij hén!
Wat zoeken zij daar?
Grip op hun situatie,
macht in ruil voor machteloosheid,
versimpeling van een te complexe wereld
waarin zij geen helden zijn?
Dan maar naar goden
van een parallel universum
die claimen de linkse elite te doorzien
een pervers netwerk van kinderbloeddrinkers,
en doofpotten van orgies met kinderen
die zij goddank onthullen,
tot heil van het volk.
Zij ontkennen gul de feiten
en roepen op te geloven
en te buigen voor goddelijke faces
in hun heilige book.
Zij sporen aan tot de heilige strijd,
moeten bedriegers ontmaskeren -
jennen en bedreigen is hun vreugde
joelen hoort bij hun liturgie.

De Heer, de koning van de aarde
hoog verheven met Zijn majesteit en vuur
is moeilijk te volgen.
Maar wie anders moeten wij bidden:
verlos deze wereld van de goden op hun tronen,
hun schijnheiligheid, hun kwaad.
Duister is uitgezaaid voor allen
bezorgdheid voor de oprechten van hart.

 

1 De HEER is koning – laat de aarde juichen,
laat vreugde heersen van kust tot kust.
2 In wolk en duisternis is hij gehuld,
zijn troon stoelt op recht en gerechtigheid.
3 Vuur gaat voor hem uit,
rondom verterend wie tegen hem opstaan.
4 Zijn bliksems verlichten de wereld,
de aarde ziet het en beeft.
5 De bergen smelten als was voor de HEER,
voor de Heer van heel de aarde.
6 De hemel vertelt van zijn gerechtigheid,
alle volken aanschouwen zijn majesteit.
7 Beschaamd staan zij die beelden aanbidden
en zich beroemen op goden van niets.
Voor hem moeten alle goden zich buigen.
8 Sion hoort het en verheugt zich;
de steden van Juda juichen
om uw rechtspraak, HEER.
9 U, HEER, bent de hoogste op heel de aarde,
boven alle goden hoog verheven.
10 U die de HEER bemint: haat het kwade.
Hij behoedt het leven van wie hem trouw zijn,
uit de greep van de goddelozen bevrijdt hij hen.
11 Licht is uitgezaaid voor de rechtvaardige,
vreugde voor de oprechten van hart.
12 Verheug u, rechtvaardigen, in de HEER,
en breng hulde aan zijn heilige naam.

Psalm 96

Bij psalm 96, door Greteke de Vries

De bomen jubelen, de ceder en de eik.
Ze zweten, ze vloeien, ze zuchten energie.
Wie het wil kan ze horen
de talking trees are singing!
Jubelen de bomen voor God die recht zal spreken
Die zal aanwijzen wie gerechtigheid deed en wie niet?
Dat doen de bomen niet.
Zij jubelen hoe dan ook,
zomer, winter, oorlog, vrede, corona voor en na.

De zeeën bruisen en al wat erin is
van eb naar vloed, van storm naar luwte,
zij bruisen en zingen, fluisteren en loeien.
Als niemand luistert doen zij dat nog.

Het veld zingt en alles wat er groeit zingt mee,
de grassen en krekels, de fluitenkruidjes en hommels.
Ze zijn gelukkig en neuriën hun melodie.
Zij hebben geen enkel doel. Ze zijn.

De aarde, nee die juicht niet.
Die kan niet meer, de fut is er uit.
Een nieuw lied kan zij niet meer verzinnen,
een schallend refrein: de wereld als nieuw!
Zij krijgt het niet meer over haar lippen,
astmatisch fluistert ze om hulp.

De volken horen de bomen niet, de zeeën en de velden.
De goden zijn als altijd stom.
Zij hossen verder, doen nog een wijntje,
Zij verlangen daarnaar, het is hun recht!

Niet zij hebben hemel en aarde gemaakt,
hun macht en hun grootheid is alles behalve heilig en goed.
Is er iemand te verwachten die recht spreekt
in de naam van de Heer?

We móeten samen zingen, dat lied van eeuwig en altijd
met de bomen mee, de zeeën en de velden.
We negeren het schelden en het schreeuwen.
Wij zingen ons woorden in van liefde en geduld.
Wij wankelen niet, wij staan op vaste grond.

 

1 Zing voor de HEER een nieuw lied,
zing voor de HEER, heel de aarde.
2 Zing voor de HEER, prijs zijn naam,
verkondig van dag tot dag dat hij ons redt.

3 Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,
aan alle naties zijn wonderdaden.
4 Groot is de HEER, hem komt alle lof toe,
geducht is hij, meer dan alle goden.

5 De goden van de volken zijn minder dan niets,
maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt.
6 Glans en glorie gaan voor hem uit,
macht en luister vullen zijn heiligdom.

7 Erken de HEER, stammen en volken,
erken de HEER, zijn majesteit en macht,
8 erken de HEER, de majesteit van zijn naam,
draag geschenken zijn voorhoven binnen.
9 Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie,
huiver, heel de aarde, als hij verschijnt.

10 Zeg aan de volken: ‘De HEER is koning.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet.
Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’

11 Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen,
de zee bruisen en alles wat daar leeft.
12 Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit,
laten alle bomen jubelen

13 voor de HEER, want hij is in aantocht,
in aantocht is hij als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal hij de wereld berechten,
de volken oordelen, trouw aan zijn woord.

Psalm 95

Bij psalm 95, door Greteke de Vries

Een volk dat twistte met haar leiders
Verbitterd klaagde over gebrek
Murmureerde over de gang van zaken
Verhardde door uitblijvend perspectief –
Een angstige leider die had geroepen:
Nog even en ze stenigen mij!
En hoe het verder ging.

Of ze dit nu maar wilden onthouden:
Dat wantrouwen niet loont
dat de ander beproeven wordt beschaamd,
dwalende harten komen thuis bij zichzelf
de wegen naar elkaar kennen zij niet.
Zo vinden zij nooit rust.

En dan generaties verder terug kijken
Nederig, op de knietjes,
In een dor en braakliggend land.

Alsof elk een Mozes was,
Een God op het scherpst van hun lippen!

Wij, wij zullen het anders doen.
Toorn voorkomen, woede vermijden,
Walging om de ander.

Houd moed. Heb lief.

1 Kom, laten wij vrolijk zingen voor de HEERE,
laten wij juichen voor de rots van ons heil.
2 Laten wij Zijn aangezicht tegemoet gaan met een loflied,
laten wij voor Hem juichen met psalmen.
3 Want de HEERE is een groot God,
ja, een groot Koning boven alle goden.
4 In Zijn hand zijn de diepste plaatsen van de aarde
en de toppen van de bergen zijn van Hem.
5 Van Hem is ook de zee, want Híj heeft haar gemaakt,
Zijn handen hebben het droge gevormd.
6 Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken,
laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft.
7 Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,
8 verhard uw hart niet,
zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
9 daar stelden uw vaderen Mij op de proef,
daar beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen.
10 Veertig jaar heb Ik gewalgd van dit geslacht;
Ik heb gezegd: Zij zijn een volk met een dwalend hart,
en zíj kennen Mijn wegen niet.
11 Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:
Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!

Psalm 94

Bij psalm 94, door Anneke Nolet

Ja, Aanwezige, jij kunt doen keren,
verschijn overduidelijk!
Jij, die recht de aarde,
keer de hoogmoedigen in hun misvattingen.

Hoe lang nog krijgen wettelozen,
krijgen onrechtvaardigen,
hun triomfantelijk hoogste woord?

Zij vervliegen uw schepping
verpatsen uw erfdeel
laten omkomen de vreemdeling
doden zwarten en kwetsbaren.
Ze zeggen: die Aanwezige, die recht doet
daaraan hebben wij geen boodschap.

Kom tot inzicht haatzaaiers,
domme verspillers wanneer word je wijs?
Die je zintuigen gaf, zou geen zin hebben?
Die volken tucht geeft, klaagt zij nu niet aan?
Die de mensen kennis geeft, Zij kent
de mensenplannen die damp zijn.

Gelukkig de mens in Uw tucht, Aanwezige,
die u leert naar uw wetten,
die u immuun maakt voor de dagen van de boosaardigen,
totdat de misdadigers hun keer vinden.

Want de Aanwezige zal haar schepsels niet verloochenen,
haar erfdeel niet verlaten.
Tot waarheid zal de rechtspraak zich wenden
en alle oprechten van hart volgen haar.

Wie staat er voor mij op
tegen de boosaardigen?!
Wie zet zich voor mij in
tegen de kwaadwillenden?!

Was Zij niet mijn hulp,
het kleinste zou mijn ziel
tot doodse stilte brengen.
Zeg ik: 'Mijn voet wankelt',
dan stut Uw genade mij al.
Maak ik me innerlijk zorgen,
Uw vertroostingen verkwikken mijn ziel.

Mag Uw rechtersstoel zich verbinden,
met hen die onheil stichten in naam van de wet?!
Zij spannen samen tegen de rechtvaardigen,
onschuldigen maken ze misdadig.
Maar de Aanwezige werd mij tot nest,
mijn God tot toevluchtsrots.
Zij keert hun onrecht tegen hen,
in hun kwaad opent zij hen de ogen
en doet zij hen zwijgen,
zij opent hen de oren en doet hen zwijgen,
de Aanwezige, onze God.

1 God van vergelding, HEER,
God van vergelding, verschijn in luister.
2 Verhef u, rechter van de aarde,
geef de hoogmoedigen hun loon.
3 Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER,
hoe lang nog zullen de wettelozen juichen,
4 de onrechtvaardigen het hoogste woord
voeren en trotse taal uitslaan?
5 Zij vertrappen uw volk, HEER,
onderdrukken uw liefste bezit,
6 weduwen en vreemdelingen doden ze,
kinderen zonder vader brengen ze om.
7 ‘De HEER ziet het niet,’ zeggen ze,
‘de God van Jakob merkt toch niets.’
8 Kom tot inzicht, onverstandigen.
Dwazen, worden jullie ooit wijs?
9 Hij heeft het oor geplant – zou hij niet horen?
het oog gevormd – zou hij niet zien?
10 Die de volken leidt, de mensen leert
en vermaant – zou hij niet straffen?
11 De HEER kent de mensen,
niet meer dan lucht zijn hun gedachten.
12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid
en onderwezen in uw wet en uw leer.
13 Hij zal rust vinden in kwade dagen,
terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven.
14 Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten,
zijn liefste bezit niet verlaten.
15 De rechtspraak voegt zich weer naar het recht,
de oprechten van hart sluiten zich aan.
16 Wie treedt voor mij op tegen die onrechtvaardigen,
wie beschermt mij tegen die schurken?
17 Had de HEER mij niet geholpen,
dan woonde ik al in de stilte van het graf.
18 Toen ik dacht: Mijn voet glijdt weg,
hield uw trouw mij staande, HEER.
19 Toen ik door zorgen werd overstelpt,
was uw troost de vreugde van mijn ziel.
20 Kiest u de kant van verdorven rechters,
die onheil stichten in naam van de wet?
21 Ze spannen samen tegen de rechtvaardigen
en veroordelen onschuldigen ter dood!
22 De HEER is mijn burcht geworden,
mijn God de rots waarop ik schuil.
23 Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen,
om hun onrecht brengt hij hen tot zwijgen,
de HEER, onze God, brengt hen voorgoed tot zwijgen.

Psalm 93

Bij psalm 93, door Greteke de Vries

Koning, Vader, Patriarch, Machtige, Heerser en Heilige,
stevig gepland Zijn hemelse voeten
aan kolkende rivieren
brullende zeeën in de houdgreep van zijn sterke armen,
onverstoorbaar spreekt Hij
tot wie daar ergens angstig wonen
verstaanbaar voor wie op Hem vertrouwt,
hun huis heiligt uw naam en valt niet om.

Maar wat, als U allang geleden van uw troon gekomen bent
Verdrinkingsdood hebt leren kennen,
Water tot de lippen weet
Tsunami aan besmettingen op u ziet afkomen
Met de voeten door de modder ploegt
Schuilt van de regen in de drup
Bevriest in trauma’s zonder perspectief?
Waar horen wij U dan spreken
in het roepen van onszelf?
Wat hebben wij nu aan sieraden?

1 De HEER is koning, met hoogheid is hij bekleed,
de HEER is met macht bekleed en omgord.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet,
2 en vast staat van oudsher uw troon,
u bent van alle eeuwigheden.
3 De stromen verheffen, HEER,
de stromen verheffen hun stem,
luid verheffen de stromen hun stem.
4 Maar boven het geraas van de wijde wateren,
van de machtige baren der zee,
is hoog in de hemel de machtige HEER.
5 Uw uitspraken zijn betrouwbaar.
Heiligheid is van uw huis het sieraad,
HEER, tot in lengte van dagen.

Psalm 92

Bij psalm 92, door Greteke de Vries

Zaterdagavond.
Buiten donkert het, alles is stil.
Ik verheug me op morgen,
Wanneer ik zal luisteren hoe uw naam bezongen wordt.
Getuigen wil ik van uw liefde, uw trouw.

Diepe vreugde, ontroering.
Wat is er veel goeds – uw daden?
Wat een rijkdom in bijbelse verhalen – uw peilloos diepe gedachten?

En dan het contrast.
Waarom dringt het niet door tot de illegale feestgangers,
de protesteerders, de burgerlijk ongehoorzamen:
dat op hen het virus gedijt als woekerend onkruid.
Onrechtvaardig is hun besmetting voor wie kwetsbaar is.

Domme, dwaze, wettelozen, onrechtvaardigen -
wat is jullie lot?

Mopperend vraag ik om afstand,
met een boog ga ik heen om wie mij naderen,
potentiële belagers met covid in de aanval
ontmoeten in mij een wilde stier. Nou…

Nee, ik ben geen rechtvaardige, geen ceder van de Libanon.
Maar ik wil stevig blijven staan,
vrucht dragen al ben ik oud aan het worden,
krachtig blijven en fris.

God is een rots, wijsheid om op te staan,
Rechtvaardigheid – daar gaat het om.

Begrijp dat dan toch!

1 Een psalm, een lied voor de sabbat.
2 Het is goed de HEER te loven,
uw naam te bezingen, Allerhoogste,
3 in de morgen te getuigen van uw liefde
en in de nacht van uw trouw,
4 bij de klank van de tiensnarige harp
en bij het ruisend spel op de lier.
5 U verheugt mij, HEER, met uw daden,
ik juich om wat uw hand verricht.
6 Hoe groot zijn uw daden, HEER,
hoe peilloos diep uw gedachten.

7 Het dringt tot de dommen niet door
en dwazen kunnen het niet vatten:
8 dat de wettelozen als onkruid gedijen
en de onrechtvaardigen bloeien
alleen om te worden verdelgd, voor altijd.

9 U, HEER, bent eeuwig verheven,
10 maar uw vijanden, HEER,
uw vijanden gaan te gronde
en wie onrecht doen, worden verstrooid.

11 U geeft mij de kracht van een wilde stier,
met pure olie ben ik overgoten.
12 Mijn oog ziet op mijn aanvallers neer,
mijn oor hoort de angstkreet van mijn belagers.

13 De rechtvaardigen groeien op als een palm,
als een ceder van de Libanon rijzen zij omhoog.
14 Ze staan geplant in het huis van de HEER,
in de voorhoven van onze God groeien zij op.
15 Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn
en blijven krachtig en fris.

16 Zo getuigen zij dat de HEER recht doet,
mijn rots, in wie geen onrecht is.

Psalm 91

Bij psalm 91, door Greteke de Vries

Al vallen er duizenden besmettingen,
tientallen doden in ons land,
miljoenen besmettingen,
duizenden doden op wereldschaal -
jou zal niets overkomen.
De plaag die toeslaat midden op de dag
de pest die rondwaart op illegale feesten in de nacht
zal jou niet treffen.
Jouw redding, lief kind, komt van je zelf discipline
de afstand die je respecteert, de stilte waarin je het uithoudt.
Bescherming vind je door je zelfgekozen isolatie,                            je mondkapje
je gezonde verstand.
Daarin vind jij je toevlucht,
daar ligt jouw vesting
op 16 vierkante meter
in je studentenflat in Leiden -
op de 13e verdieping.

Zo denk ik jou bij de Allerhoogste,
zo hoop ik God bij je in deze nood:
terughoudend, op afstand, in stilte.
In jouw zorg voor ouderen.

Zo is God.

1 Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
2 zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op u vertrouw ik.’
3 Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger
en redt je van de dodelijke pest,
4 hij zal je beschermen met zijn vleugels,
onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild.
5 De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,
6 noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag.
7 Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand,
jou zal niets overkomen.
8 Open je ogen en zie
hoe wie kwaad doen worden gestraft.
9 U bent mijn toevlucht, HEER.
Als je mag wonen bij de Allerhoogste,
10 zal het kwaad je niet bereiken,
geen plaag je tent ooit treffen.
11 Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.
12 Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.
13 Leeuw en adder zul je vertrappen,
roofdier en slang vermorzelen.
14 ‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft
en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.
15 Roep je mij aan, ik geef antwoord,
in de nood zal ik bij je zijn,
je bevrijden en met roem overladen,
16 je overvloed geven van dagen.
Ik zal je redding zijn.’

Psalm 90

Bij psalm 90, door Greteke de Vries

Lief klinkt het: keer terug, mensenkind, tot stof,
een uitnodiging voor een kalme gang naar de dood
van de eendagsvlieg die we zijn,
de zucht van een tevreden tachtiger:
hoe snel ging de tijd!

Waarom toont Hij plots grimmig dan een spiegel,
onze zonden en geheimen, moeite en leed voor ons uitgestald?
Wij hebben Hem verlaten,
gescheiden zijn wij en niet langer één?
Wij zullen vrezen, Hem die leven geeft en leven neemt?

Duizend coronapatiënten vandaag in het ziekenhuis
tweehonderdtien op de intensive care –
Moeten wij Hem nu smeken,
Hem liefdevol uitnodigen voor Zijn terugkeer naar ons?

Wij willen leven, lief hebben, juichen van vreugde.
Wij willen terug wie Hij ons afgenomen heeft.
Wij willen horen dat wat wij doen niet tevergeefs is
dat het goed is voor de toekomst van onze kinderen.

Wij willen niet dood.

1Een gebed van Mozes, de godsman.
Heer, u bent ons een toevlucht geweest
van geslacht op geslacht.
2Nog voor de bergen waren geboren,
voor u aarde en land had gebaard –
u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
3U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’
4Duizend jaar zijn in uw ogen
als de dag van gisteren die voorbij is,
niet meer dan een wake in de nacht.
5U vaagt ons weg als slaap
in de morgen, als opschietend gras
6dat ontkiemt in de morgen en opschiet,
en ’s avonds verwelkt en verdort.
7Wij komen om door uw toorn,
door uw woede bezwijken wij.
8U hebt onze zonden vóór u geleid,
onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat.
9Al onze dagen gaan heen door uw woede,
wij beëindigen onze jaren in een zucht.
10Zeventig jaar duren onze dagen,
of tachtig als wij sterk zijn.
Het beste daarvan is moeite en leed,
het gaat snel voorbij en wij vliegen heen.
11Wie kent de kracht van uw toorn,
wie vreest oprecht uw woede?
12Leer ons zo onze dagen te tellen
dat wijsheid ons hart vervult.
13Keer u tot ons, HEER – hoe lang nog?
Ontferm u over uw dienaren.
14Vervul ons in de morgen met uw liefde,
laat ons van blijdschap juichen, al onze dagen.
15Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat u ons kwelde,
de jaren dat wij ellende doorstonden.
16Toon uw daden aan uw dienaren,
maak uw glorie bekend aan hun kinderen.
17Laat ons uw genade zien, Heer, onze God.
Bevestig het werk van onze handen,
het werk van onze handen, bevestig dat.

Psalm 89

Bij psalm 89, door Greteke de Vries

Staatshoofd bij de gratie Gods
Koning der Nederlanden,
wettige nakomeling van Beatrix
Juliana, Wilhelmina uit de
dynastie der Oranjes,
hoorde u de vraag aan de bevolking:
“Wat willen jullie met het koningshuis?”
Wankelt uw troon,
Breekt God zijn trouw
Schendt Hij zijn verbond?
Het volk tuchtigt u voor uw economie,
spot met uw uitgaven, te hoog onverdiend,
uw beroep op de rechters,
hen die u trouw zweren,
achten uw tegenstrevers onterecht.
Waar vindt u vertrouwen, majesteit,
troost tegen de vijand van uw ambt?
Hoe bleef David de Heer prijzen?

Bij psalm 89, door Greteke de Vries

Staatshoofd bij de gratie Gods
Koning der Nederlanden,
wettige nakomeling van Beatrix
Juliana, Wilhelmina uit de
dynastie der Oranjes,
hoorde u de vraag aan de bevolking:
“Wat willen jullie met het koningshuis?”
Wankelt uw troon,
Breekt God zijn trouw
Schendt Hij zijn verbond?
Het volk tuchtigt u voor uw economie,
spot met uw uitgaven, te hoog onverdiend,
uw beroep op de rechters,
hen die u trouw zweren,
achten uw tegenstrevers onterecht.
Waar vindt u vertrouwen, majesteit,
troost tegen de vijand van uw ambt?
Hoe bleef David de Heer prijzen?

[....]

29Mijn liefde zal hem altijd beschermen,
hecht is mijn verbond met hem.
30Zijn dynastie houd ik voor altijd in stand,
zijn troon zolang de hemel duurt.
31Als zijn zonen zich afkeren van mijn wet,
niet leven naar mijn voorschriften,
32mijn wetten schenden,
mijn bevelen niet opvolgen,
33dan zal ik hen tuchtigen voor hun misdaden,
hun zonden bestraffen met slagen.
34Maar mijn liefde zal ik hem niet afnemen,
mijn trouw aan hem niet breken,
35ik zal mijn verbond niet schenden,
mijn woorden niet herroepen.
36Eens heb ik dat bij mijn heiligheid gezworen,
nooit breek ik mijn woord aan David.
37Zijn dynastie zal altijd voortleven,
zijn troon voor mij staan als de zon,
38als de maan die standhoudt voor eeuwig,
trouwe getuige aan de hemel.’ sela
[…]
51Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot,
dat ik lijd onder de hoon van vele volken.
52Uw vijanden, HEER, bespotten mij,
spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat.
53Geprezen zij de HEER in eeuwigheid.
Amen, amen.

Psalm 88

Bij psalm 88, door Greteke de Vries

Zij zegt: “door deze nieuwe maatregelen ben ik nog nerveuzer geworden.
Ik ben nu aan de Valdispert en ik blijf thuis.”

Oh Heer, ik kan het niet volgen.
De bezetting en de holocaust,
Oeigoeren in heropvoedingskampen
Tibettanen slaaf gemaakt.

Dát is pas erg.

Maar wij?
Geen massagraven, kuilen, vergeten in de diepte,
niet ingesloten door de golven
losgerukt uit beschermende handen,
geen woede, toorn als hamers op ons hoofd,
verstoten uit het leven,
vervreemd van allen die ons lief zijn.
Geen wonderen, geen liefde en geen trouw.

Ik spreek een machteloos ‘Vrees niet!’
en laat haar in haar duisternis.
Een metgezel van niets.

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een beurtzang, een kunstig lied van de Ezrachiet Heman.
2 HEER, God, mijn redder,
overdag schreeuw ik het uit,
’s nachts zit ik stil voor u neer.
3 Laat mijn gebed u bereiken,
luister naar mijn klagen,
4 ik word door rampen bezocht,
mijn leven nadert het dodenrijk.
5 Ik hoor bij wie afgedaald zijn in het graf,
ik ben als een man aan het eind van zijn krachten,
6 een naamloze dode, ik ben
als een gesneuvelde in een massagraf,
aan wie u niet langer denkt,
losgerukt uit uw hand.
7 U hebt mij onder in de kuil gelegd,
in het duister van de diepte,
8 uw toorn drukt zwaar op mij,
uw golven slaan over mij heen. sela
9 Bekenden hebt u van mij vervreemd,
afgrijzen roep ik bij hen op,
ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer.
10 Mijn ogen zijn dof van ellende,
ik roep u aan, HEER, elke dag,
en strek mijn handen naar u uit.
11 Doet u aan doden wonderen,
staan schimmen op om u te loven? sela
12 Komt uw liefde in het graf ter sprake
of uw trouw in de afgrond?
13 Weet men in de duisternis van uw wonderen
of van uw weldaden in het land der vergetelheid?
14 Daarom roep ik u om hulp, HEER,
elke morgen nader ik u met mijn gebed.
15 Waarom, HEER, verstoot u mij
en verbergt u voor mij uw gelaat?
16 Ik ben verzwakt, van jongs af in doodsgevaar,
verbijsterd moet ik uw woede verduren.
17 De gloed van uw toorn overweldigt mij,
uw verschrikkingen maken mij sprakeloos,
18 als water omringen ze mij, dag aan dag,
van alle kanten sluiten ze mij in.
19 Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd,
mijn enige metgezel is de duisternis.

Psalm 87

Bij psalm 87, door Anneke Nolet

Niet wij, wij, wij,
Maar ieder en elk in u

Vreugde in alles en allen als antwoord
Dansende erkenning van u als levensbron

Niet wij, wij, wij,
Maar ieder en elk in u

1-2 Van de Korachieten, een psalm, een lied.
Boven alle steden van Jakob
heeft de HEER de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.
3 Van u wordt met lof gesproken,
stad van God. sela
4 ‘Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen.
Filistea, Tyrus en Nubië
zijn alle hier geboren.’
5 Met recht kan men van Sion zeggen:
‘Welk volk ook, het is hier geboren,
de Allerhoogste houdt Sion in stand.’
6 Bij de namen van de volken schrijft de HEER:
‘Dit volk is hier geboren.’ sela
7 En dansend zingen zij:
‘Mijn bronnen zijn alleen in u.’

Psalm 86

Bij psalm 86, door Greteke de Vries

Jom Kipoer voor de hele wereld

God, door uw goedheid bent u tot vergeving bereid.

Vergeef ons voor het doordringen in de oerbossen
Vergeef ons voor het niet achten op de consequenties
Vergeef ons voor onze begeertes
Voor Bushmeat met virussen als lekkernij op de markt
Vergeef ons dat we het te laat wilden inzien
Dat innerlijke orde en rust gingen boven paal en perk
Dat we te laat maatregelen namen
Dat we bleven vliegen, feesten en verspreiden
Dat we gemakzuchtig werden
Dat we ons onze ogen niet geloofden
Dat we ieders gelijk betwistten
Dat we mensen lieten sterven
De 1 miljoenste vandaag.
Vergeef ons nu wij buigen voor U
U bent liefdevol en genadig
Geduldig, trouw en waarachtig.
In dit uur van onze nood zien wij om
En zoeken uw redding voor onszelf
En voor de toekomst van onze kinderen.
Geef ons een teken van hoop!

Wat? Zit niet te slijmen met je dit en je dat.
Jullie maken er een potje van en nu mag ik het opknappen.
Ik pieker er niet over.
Zoek het zelf maar uit.

1 Een gebed van David.
Hoor mij, HEER, en antwoord mij,
ik ben verzwakt en arm.
2 Behoed mij, want ik ben u toegewijd,
red uw dienaar die op u vertrouwt,
u bent mijn God.
3 Wees mij genadig, Heer,
heel de dag roep ik tot u,
4 verblijd het hart van uw dienaar,
naar u verlang ik, Heer.
5 U, Heer, bent goed en tot vergeving bereid,
uw trouw is groot voor ieder die u aanroept.
6 Hoor mijn gebed, HEER,
luister naar mijn smeken.
7 In dit uur van mijn nood roep ik u aan,
want u geeft mij antwoord.
8 Geen god is u gelijk, Heer,
uw daden zijn zonder weerga.
9 Alle volken, door u gemaakt, komen
en buigen zich, Heer, voor u
en prijzen uw naam.
10 U bent groot, u doet wonderen,
u alleen bent God.
11 Wijs mij uw weg, HEER,
laat mij wandelen op het pad van uw waarheid,
vervul mijn hart met ontzag voor uw naam.
12 U, Heer, mijn God, zal ik loven met heel mijn hart,
uw naam voor eeuwig prijzen.
13 Want u toont mij uw grote trouw,
u verlost mij uit de diepte van het dodenrijk.
14 God, een opstandige bende komt op mij af,
met geweld bedreigen zij mijn leven,
zij houden u niet voor ogen.
15 U, Heer, bent een God die liefdevol is en genadig,
geduldig, trouw en waarachtig.
16 Keer u tot mij en wees mij genadig,
schenk kracht aan uw dienaar,
red het kind van uw dienares.
17 Geef mij een teken van uw goedheid,
dan zullen mijn haters verbleken en zien
dat u, HEER, mij bijstaat en troost.

Psalm 85

Bij psalm 85, door Greteke de Vries

Zij zijn al vervallen tot dwaasheid:
de hordes die hakkûh
en dansen op de vulkaan;
de Famkes, Bizzeys en Willems
die niet meer meedoen,
onnozele amateurs
die de wereld willen redden
niet gehinderd door kennis van zaken.
Geef de schuld maar aan anderen,
versimpel de complexiteit maar tot 1 en 0.
Zoek naar complotten,
wantrouw de regering,
negeer de gemeenschap
met je dikke opgeblazen ik.
Dat helpt!

Nee. Hou je bek en hou afstand!
Hoe moeilijk kan het zijn?

We kwamen er genadig van af,
het virus leek aan banden,
rust keerde in de zorg,
een verantwoordelijk volk weet wat te doen
en wat te laten.

Nu keert de woede weer,
brandende toorn is gewekt;
schuld en zonden liggen te bonken -
vol afschuw keren wij ons af.

Trouw en waarheid omhelzen elkaar niet meer,
recht en vrede begroeten elkaar alleen nog van verre.
Uit de aarde kieren de dampen van de hel.
De hemel gaat dicht, ziet niet meer toe.

De HEER geeft al het goede, etc.
Maar mensen maken zóveel kapot!
Waarheen loopt deze weg?

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.
2 U bent uw land genadig geweest, HEER,
u keerde het lot van Jakob ten goede,
3 nam de schuld van uw volk weg
en bedekte al zijn zonden. sela
4 U bedwong uw woede
en wendde u af van uw brandende toorn.
5 God, onze helper, keer tot ons terug,
onderdruk uw afschuw van ons.
6 Wilt u voor eeuwig uw toorn laten duren,
verbolgen zijn van geslacht op geslacht?
7 Breng ons weer tot leven,
dan zullen wij ons in u verheugen.
8 Toon ons uw trouw, HEER,
en geef ons uw hulp.
9 Ik wil horen wat God ons zegt.
De HEER spreekt woorden van vrede
tegen zijn volk, zijn getrouwen.
Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid!
10 Voor wie hem eren is zijn hulp nabij:
zijn glorie komt wonen in ons land,
11 trouw en waarheid omhelzen elkaar,
recht en vrede begroeten elkaar met een kus,
12 uit de aarde bloeit de waarheid op,
het recht ziet uit de hemel toe.
13 De HEER geeft al het goede:
ons land zal vruchten geven.
14 Het recht gaat voor God uit
en baant voor hem de weg.

Psalm 83

Bij psalm 83, door Greteke de Vries

Distelpluis zijn ze inderdaad geworden,
Verwaaid op de wind als kaf
hun adem, hun namen.
Wie kent hen nog,
de vijanden van weleer?

Leerden zij hun les, de naam van de HEER,
de Allerhoogste
Die onrecht niet duldt en mensen bevrijdt?

Angst brengt geen liefde voort.
Pluizen ontkiemen en groeien,
vernederden hervinden hun zelfbewustzijn,
in hun slaap doorboorden hebben nageslacht,
verwarden en vertwijfelden vinden rust, zien weer kansen,
in de grond na de brand zoeken zaden het licht.

Verlangen naar vernietiging is één,
bezingen geeft moed.

Maar hoe houden de verschrikkingen op?

1 Een lied, een psalm van Asaf.
2 God, houd u niet stil,
zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe,
3 uw vijanden roeren zich,
trots heffen uw haters het hoofd.

4 Tegen uw volk smeden zij een complot,
ze spannen tegen uw lieveling samen,
5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk,
Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’

6 Zij hebben samen plannen gesmeed
en zich tegen u verenigd:
7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de zonen van Hagar,
8 Gebal en Ammon en Amalek,
Filistea en de bewoners van Tyrus.
9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten
en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela
10 Doe met hen als met Midjan,
als met Sisera en Jabin in het Kisondal,
11 die bij Endor werden vernietigd
en als mest op het land bleven liggen.
12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb,
hun leiders als Zebach en Salmunna,
13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land
waar God zijn woning heeft.’

14 Mijn God, maak hen tot distelpluis,
tot kaf dat verwaait in de wind.
15 Zo snel als vuur het bos verbrandt,
als vlammen de bergen verschroeien,
16 laat zo uw storm hen voortjagen,
uw wervelwind hen verwarren.

17 Overdek hen met schande,
dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.
18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken
en eerloos verloren gaan, voorgoed.

19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is,
dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde.

Psalm 82

Bij psalm 82, door Greteke de Vries

Jij:

Zonnegod: doe het graan ontkiemen maar smelt niet het ijs
God van de wind: hou je in bij het vuur, een milde bries is genoeg
Liefdesgod: begeerte is een weldaad, obsessie vermoordt
God van het geld: geef gul aan allen en drop het niet op één hoop
Oorlogsgod: smeed je zwaard tot ploegijzer, leer luisteren, wees mild
God van het verstand: heb eens wat meer fantasie, verbeelding en hart
God van de vruchtbaarheid: ken toch je grenzen, twee is genoeg
God van social media, jong als je bent: leg toch eens weg dat ding, 
God van drank en drugs: je hebt je kans gekregen en het verbruid
God van de onderwereld: beken schuld en verdwijn uit m’n ogen

Nee, jullie allemaal –
elk gaat z’n perken te buiten
vergeet haar opdracht en draait dol.
Alsof het om jullie gaat,
verwende kinderen,
teveel heb ik jullie je gang laten gaan,
jullie kennen mij niet meer
jullie macht verdienen jullie niet.

Nu dreig ik jullie te doden,
ten val zullen jullie komen als wrede aardse vorsten –
mijn mensen zullen zeggen: eindelijk gerechtigheid!

Toch: dood kúnnen jullie niet.
Dan sterft de aarde, deze wereld, mijn schepping.

Mensen beneden, gelóóf hen toch niet!

1 Een psalm van Asaf.
God staat op in de hemelse raad,
hij spreekt recht in de kring van de goden:
2 ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig
en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela
3 Doe recht aan weerlozen en wezen,
kom op voor verdrukten en zwakken,
4 bevrijd wie weerloos zijn en arm,
red hen uit de greep van wie kwaad wil.
5 U toont geen inzicht, geen begrip,
en doolt in duisternis rond,
de aarde wankelt op haar grondvesten.
6 Ooit heb ik gezegd: “U bent goden,
zonen van de Allerhoogste, allemaal.”
7 Toch zult u sterven als mensen,
ten val komen als aardse vorsten.’

8Verhef u, God, spreek recht op aarde,
alle volken behoren u toe.

Psalm 81

Bij psalm 81, door Greteke de Vries

We luisterden in de kerk
naar muziek van Leo Smit,
een van ‘s lands meest begaafde componisten,
slaaf van de nazi’s, omgebracht in Sobibor.
Een koperkwintet blies het nieuwe regeringsjaar aan
en Smit’s muziek nieuw leven in.

De koning herinnerde zich
de oorverdovende stilte
op de dag van ons gedenken in mei,
de dagen van terreur,
zijn familie die beter had gekund.
Betuigde zijn medeleven met ieder die nu lijdt en zorgt.
Hij schilderde lasten, hulp en draagkracht,
beproevingen en bedreigingen –
wekte statig vertrouwen: ik weet er van
en ben erbij.

De minister zag zwarte zwanen,
niet te herkennen door wie op witte rekent.
Opletten dus, op wat je niet kent.
En sturen moeten we samen door de mist.

Kan het ambivalenter, dit leven,
onzekerder, onze toekomst,
complexer, het beleid,
gemengder, onze reacties?

Zou God alles willen oplossen als wij maar minder koppig onze eigen inzichten zouden volgen? 
Of moeten wij het doen met een
royale bede om kracht, wijsheid en zegen?

Wij worden op de proef gesteld.                                                Wanneer zullen wij juichen?

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf.
2 Jubel voor God, onze sterkte,
juich voor de God van Jakob,
3 zing een lied en sla de tamboerijn,
speel op de harp en de lieflijke lier,
4 blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan
en bij vollemaan voor onze feestdag,
5 want dat is een opdracht aan Israël,
een voorschrift van Jakobs God.
6 Daartoe verplichtte hij Jozef,
toen hij optrok tegen Egypte.
Onvermoede woorden hoor ik zeggen:
7 ‘Ik nam de last van je schouder,
je hand raakte geen draagkorf meer aan.
8 Riep je om hulp, ik redde uit de nood
en gaf antwoord uit het duister van de donder.
Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: sela
9 “Hoor, mijn volk, ik moet je vermanen,
Israël, luister naar mij.
10 Laat geen andere god bij je toe,
buig je niet voor een vreemde god,
11 ik ben de HEER, je God,
die je wegleidde uit Egypte –
open wijd je mond, ik zal hem vullen.”
12 Maar mijn volk luisterde niet,
Israël wilde niet van mij weten.
13 Toen liet ik hen begaan,
koppig volgden zij hun eigen inzicht.
14 Ach, wilde mijn volk maar horen,
wilde Israël mijn wegen maar volgen.
15 Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen,
zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers.
16 Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk,
dat zou voor altijd hun lot zijn.
17 Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe –
ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.’

Psalm 80

Bij psalm 80, door Anneke Nolet

Hoor ons, Aanwezige, hoedster van leven,
die Rachel leidde en kinderen schonk,
die woont tussen engelen,
verschijn blinkend!
Wek uw kracht voor de ogen van
de baby, made in Moria,
laat het gezond geboren worden
en leven.
Breng Gij, o God, ons de keer:
in het licht van uw aanschijn bevrijding.

Aanwezige, God van de machten,
hoelang nog houdt Gij ons verblind,
verdwaasd, verbubbeld, genoegzaam tevreden,
uw vrede zo ver van huis.

De aarde en de wateren schreeuwen
van uitbuiting en vervuiling,
planten en dieren verdwijnen,
mensennatuur op hol geslagen.
Is er nog een biddend volk?

Breng Gij, o God, ons de keer:
in het licht van uw aanschijn bevrijding.

U hebt leven geschonken,
ruimte gemaakt, te midden van anderen,
opdat al het leven tot leven kon komen.
Wat nu, zwart of wit. Zwart en wit.
En alle kleurschakeringen daartussen.
Waarom dan machten die vernietigen?
De zwarten verdrukken en wit privilegiëren.
Waarom wordt uw zucht niet verstaan?

Breng Gij, o God, ons de keer:
in het licht van uw aanschijn bevrijding.
Bekommer u om uw schepping, Aanwezige,
de kiemen die Gij hebt gelegd,
ontaard en belaagd.

Covid-19 blijft wereldwijd dreigen,
zullen wij leren roepen in uw Naam?

Breng Gij, o God, ons de keer:
in het licht van uw aanschijn bevrijding.

1Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Een getuigenis. Van Asaf, een psalm.

2 Hoor ons, herder van Israël,
die Jozef leidt als een kudde.
U die troont op de cherubs, verschijn in luister
3 aan Efraïm, Benjamin en Manasse.
Laat uw kracht ontwaken,
kom, en red ons.
4 God, keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.
5 HEER, God van de hemelse machten,
hoe lang nog blijft u vertoornd op uw biddende volk?
6 U liet ons brood van tranen eten
en een stroom van tranen drinken.
7 U hebt andere volken tegen ons opgezet,
onze vijanden drijven de spot met ons.
8 God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.
9 U hebt een wijnstok uitgegraven in Egypte,
en volken verdreven om hem te planten.
10 U gaf hem een ruime plek,
hij schoot wortel en vulde het land.
11 De bergen werden bedekt door zijn schaduw,
de machtige ceders door zijn twijgen,
12 hij strekte zijn takken uit tot de zee,
tot aan de Grote Rivier zijn ranken.
13 Waarom hebt u zijn omheining vernield?
Voorbijgangers plukken hem leeg,
14 wilde zwijnen wroeten hem om,
velddieren vreten hem kaal.
15 God van de hemelse machten, keer u tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie,
bekommer u om deze wijnstok,
16 de stek die uw hand heeft geplant,
het kind dat u zelf hebt grootgebracht.
17 Hij is verbrand en weggehakt,
verkwijnd onder uw duistere blik.
18 Leg uw hand op uw beschermeling,
het mensenkind dat u hebt grootgebracht.
19 Dan zullen wij niet van u wijken.
Laat ons leven, en wij roepen uw naam:
20 HEER, God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

Psalm 79

Bij psalm 79, door Greteke de Vries

Waar is nu hun God?
Wie vraagt dat tegenwoordig nog als uiting van leedvermaak?

Een hemelse beschermer op afroep
tegen bedreiging door de buren –
wie zal zo’n machtige arm nog verwachten?
Niet hij die klaar is voor de strijd,
bloed gaat vergieten, lichamen wil onteren.

En wie zal nog roepen: Hoelang nog, Heer?
Wie vermoedt in de vijand                                                                    de hand van dezelfde God
die om barmhartigheid wordt gebeden vanwege eigen zonden,
de God die het leven behoudt?

Wie zal nog smeken om straf voor de volken
voor hun indirecte bespotting van de geprezen herder -
over wie telkens weer verhaald wil worden
dat Hij de eigen kudde redt?

Leedvermaak valt arroganten ten deel,
de onaantastbaren
die zich boven de wet stellen -
maar nu getroffen worden.

Het enige dat ik herken is mijn eerdere smalen:
dat corona hen zou treffen die met het virus spotten,
de ongemaskerden die het een griepje noemden
en hun volk lieten creperen:
"Oh God, dat zij besmet raken en sterven!"

Waarom lachten de volken om Israël?

Een psalm van Asaf.
God, vreemde volken hebben uw land bezet,
uw heilige tempel geschonden
en Jeruzalem in puin veranderd.
2 De lijken van uw dienaren lieten zij liggen
als aas voor de vogels van de hemel,
het vlees van uw getrouwen als voedsel
voor de wilde dieren op aarde.
3Hun bloed werd als water vergoten
rond Jeruzalem – en niemand die hen begroef.

4Gehoond worden wij door onze naburen,
beschimpt en bespot door de volken rondom.
5Hoe lang nog, HEER! Bent u voor eeuwig verbolgen?
Hoe lang blijft uw woede branden?
6Stort uw toorn uit over de volken die u niet kennen,
over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen,
7want zij hebben Jakob verslonden
en zijn woonplaats verwoest.

8Reken ons de zonden van vroeger niet aan,
toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot,
9help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam,
red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam.

10Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’
Laat de volken weten, laat ons het zien,
dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken.
11Laat het zuchten van uw geknechte volk u bereiken,
machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.
12Straf de volken rondom ons zevenvoudig
voor de smaad die zij u hebben aangedaan, Heer!

13Wij zijn uw volk, de kudde die u hoedt,
wij zullen u prijzen tot in eeuwigheid,
van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

Psalm 78

Bij psalm 78:1-8, door Greteke de Vries

Mijn overgrootmoeder bestudeerde de Schrift
en leefde in stille omgang met haar Heer.
Was een kind ziek, ze bad Hem om genezing.
Met resultaat.
Was er geldgebrek, ze keek uit naar Zijn wonderen.
’t Bedrijf werd gered.
Bij de scheiding van haar zoon liet zij het oordeel over aan Hem.
Accepteerde zijn nieuwe vrouw.
Tijdens de bezetting beval zij haar volwassen kroost in Zijn hoede. Ieder overleefde.
Zij wijdde haar beste krachten aan het kerkelijk vrouwenwerk, voor Hem. Decennia presidente van naaikrans en koor.
Zij wist haar dochter Margo met 51 jaar opgenomen in Zijn heerlijkheid.
Hij immers was de Opstanding en het Leven.
Stervende onderzocht zij haar zondig verleden.
In vast geloofsvertrouwen dat haar een plaats was bereid in het Vaderhuis ging zij van ons heen.

Aan haar dochters en zoon heeft zij haar geloof door willen geven, haar ervaringen van kracht naar kruis,
van wijsheid in het dagelijks leven.
“Gré, ook jou wil ik zien in het paradijs”.
Maar mijn oma kon het nauwelijks mee maken.
Geloven liet haar lauw, tot haar schaamte en spijt.
Mijn moeder erfde ‘iets’, een psalm die haar troostte,
het kerkelijk leven had niet haar hart.

En toen kwam ik.
Werd steeds meer kind van mijn overgrootmoeder.
Dat wonderlijke vertrouwen
in leven met een innerlijke dialoog.
Maar soms ben ik toch meer deel van een
onwillige en opstandige generatie
onstandvastig van hart en geest.

Wat moet ik in deze tijd vertellen aan het komende geslacht?

1 Een kunstig lied van Asaf.

Luister, mijn volk, naar wat ik leer,
hoor de woorden uit mijn mond.
2 Ik open mijn mond voor een wijze les,
spreek uit wat sinds lang verborgen is.
3 Wij hebben het gehoord, wij weten het,
onze ouders hebben het ons verteld.
4 Wij willen het onze kinderen niet onthouden,
wij zullen aan het komend geslacht vertellen
van de roemrijke, krachtige daden van de HEER,
van de wonderen die hij heeft gedaan.
5 Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob
en kondigde in Israël een wet af.
Onze voorouders gaf hij de opdracht
die aan hun kinderen te leren.
6 Zo zou het volgende geslacht ervan weten,
en zij die nog geboren moesten worden,
zouden het weer aan hun kinderen vertellen.
7Dan zouden zij op God vertrouwen,
Gods grote daden niet vergeten
en zich richten naar zijn geboden.
8 Dan zouden zij niet worden als hun voorouders,
een onwillig en opstandig geslacht,
onstandvastig van hart en geest,
een geslacht dat God ontrouw was.

Psalm 77

Bij psalm 77 - door Greteke de Vries

Het is een idee:
“Wat mij kwelt is de Allerhoogste
Die niet meer doet als vroeger.”
Bevrijden en zo,
weg van de slavernij
door de zee van de dood,
door de woestijn
naar het land van belofte.

Dit is ook een idee.
Wat mij kwelt is deze rotwereld
zonder mededogen.
Mijn adem werd me haast ontnomen
mijn geest bijna gedood
mijn dromen zo goed als gesmoord.
Ik liet achter wie mij lief was en ging.
Kinderen aan m’n hand.
Bundeltje op m’n rug.
Geen hulp dan van een schurk
die uit was op mijn lijf en goed.
Wij kwamen in Moria.
De ellende nam toe,
besmettingen en isolement.
En vannacht barstte hij open,
de HEL.
Vuur en rennen,
rook en roepen,
ieder voor zich.
Geen Mozes, geen kudde,                                                 
geen Allerhoogste die antwoordt                                            
of kwelt.                                                                                         
De wijkende zee is het asfalt
zonder horizon.

1Voor de koorleider. Op de wijs van Jedutun. Van Asaf, een psalm.

2Luid roep ik God, ik schreeuw het uit,
luid roep ik God – dat hij mij hoort.
3Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer,
bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos,
mijn ziel laat zich niet troosten.
4Ik denk aan God en moet zuchten,
mijn gedachten vermoeien mijn geest. sela
5U laat me mijn ogen niet sluiten,
van onrust vind ik geen woorden,
6ik zie terug op voorbije tijden,
op de dagen en jaren van vroeger,
7bij nacht denk ik aan mijn spel op de snaren,
mijn hart zoekt, mijn geest vraagt:
8Zou de Heer voor eeuwig verstoten,
zou hij niet langer liefhebben?
9Is zijn trouw voorgoed verdwenen,
zijn woord voor eens en altijd verstomd?
10Vergeet God genadig te zijn,
verbergt zijn ontferming zich achter zijn toorn? sela
11En ik zeg: ‘Ik weet wat mij kwelt,
de hand van de Allerhoogste is niet meer dezelfde.’
12Ik denk terug aan de daden van de HEER –
ja, ik denk aan uw wonderen van vroeger,
13overweeg elk van uw werken
en houd in gedachten uw grote daden.
14Uw weg, God, is een heilige weg –
welke god is zo groot als onze God?
15U bent de God die wonderen doet,
u hebt de volken uw macht getoond,
16uw arm heeft uw volk bevrijd,
de kinderen van Jakob en Jozef. sela
17Toen het water u zag, o God,
toen het water u zag, begon het te beven,
een huivering trok door de oceanen.
18De wolken stortten water,
de hemel dreunde luid,
uw pijlen flitsten heen en weer,
19uw donder rolde dreunend rond,
bliksems verlichtten de wereld,
de aarde trilde en schokte.
20Door de zee liep uw weg,
door de wijde wateren uw pad,
maar uw voetsporen bleven onzichtbaar.
21U leidde uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron.

Psalm 76

Bij psalm 76 - door Greteke de Vries

God kan nog zo groot genoemd zijn
machtig en altijd aan de winnende hand,
maar wie niet trotseert zijn toorn,                                                      noemt hem nu vreeswekkend?

Om de vernederden te redden
zijn er enkelen
die fluisteren de echo van uw stem,
de machtelozen herinneren zich een woord
dat zich niet laat doven.

Maar angstig maken zij niemand,
geen vreest hun oordeel, houdt de adem in,
sancties volgen niet.
Wie zal dan ook doen boeten
de winnaars van de race,
regeringen die hun eigen volk beschermen,
rijken die over de verdeling aan?
De honden eten genadebrood.

God, beneem de machtigen hun overmoed,
vervul hen met vrees voor de gevolgen.
Dat ook zij zullen lachen
omdat zij recht hebben gedaan.

1Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van Asaf, een lied.

2Vermaard is God in Juda,
groot is zijn naam in Israël.
3In Salem sloeg hij zijn tent op,
in Sion lag hij in hinderlaag.
4 Daar brak hij bogen en pijlen,
schilden en zwaarden, oorlogstuig. sela
5Hoe stralend bent u, hoe machtig,
vanuit het gebergte loerend op prooi.
6Dapperen werden beroofd, in slaap verzonken,
geen held die zijn kracht nog hervond.
7Al door uw dreigen, God van Jakob,
bezweken ruiters en paarden.
8Vreeswekkend bent u;
wie kan uw toorn trotseren?
9Vanuit de hemel klonk uw oordeel,
de aarde vreesde en hield de adem in:
10u, God, rees op om recht te spreken,
te redden alle vernederden op aarde. sela
11Wie in woede tegen u opstond, zal u loven,
wie ontkwam aan uw woede, omgordt zich met gejuich.
12Doe geloften aan de HEER, uw God, en los ze in.
Allen rondom hem: breng gaven aan de Geduchte,
13die machtigen de moed beneemt,
koningen der aarde met vrees vervult.