Psalm 75

Bij psalm 75 - door Greteke de Vries

De beker der gramschap,
de beker van Gods woede –

drinken zal hij hen forceren
die tegen hem opstaan,
drinken tot hun dronkenschap vol angst voor het zwaard
drinken tot duizel en braak –

tot kotsenstoe moeten ze hun onrecht erkennen -
door grote woede van de Heer.

En dan zal ik, zegt hij, juichen
dat de trots van de zondaar is gebroken,
de rechtvaardige krijgt een troon.

O Jeremia, Psalmist en zelfs moeder Maria
elk die geen andere uitweg weet voor woede en hoop….
dan het recht in Gods hand –
of… toch maar in eigen?

Zie, de helden vallen van hun sokkels
weggehakt de machtigen
die zich verrijkten door vernietiging van kwetsbaar volk -
een nieuwe beeldenstorm.

Bittere pillen
zure druiven
harde noten
wonderen van gerechtigheid?

Vernedering en verheffing:
wip wap, wip wap…

Ik geloof in de weg van de liefde van Christus
anders gaat het maar door en door en door en door.


(Jeremia 25:15-37; Lucas 1:46-55)

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Een psalm van Asaf, een lied.
2 Wij loven, God, wij loven u,
uw naam is ons nabij,
uw wonderen gaan van mond tot mond.
3 ‘Ja, ik bepaal of de tijd is gekomen,
ik zal oordelen naar recht en wet.
4 Al beeft de aarde met haar bewoners,
ik heb haar op zuilen vastgezet. sela
5 Tot de hoogmoedigen zeg ik: Wees niet hoogmoedig,
tot de trotse zondaars: Verhef je niet,
6 verhef je niet tegen de hemel,
spreek niet op hoge toon.’
7 Niet uit het oosten, niet uit het westen,
niet uit de woestijn komt verheffing,
8 het is God die rechtspreekt
en de een vernedert, de ander verheft.
9 In zijn hand houdt de HEER een beker
met wijn, schuimend en bitter gekruid,
hij schenkt hem uit aan de zondaars op aarde,
zelfs de droesem moeten zij drinken.
10 Ik wil er altijd over spreken,
erover zingen voor de God van Jakob:
11 ‘De trots van de zondaar zal ik breken,
de rechtvaardige zal worden verheven.’

Psalm 74

Bij psalm 74 - door Greteke de Vries

Jeruzalem in puin, het volk verbannen.

Een roep om hulp tegen het razen van de tegenstanders,
tegen het tieren van Gods vijanden verheffe Hij zijn hand en slaat toe!

Sion, was jullie verbond met de Eeuwige te bedreigend voor hen?


Ik ben van het volk van de beeldenstormers
door de verhitte maanden van 1566 gevormd.
Wij protesteerden, vernielden, vermoordden,
redden de eer van de bijbel en het gezuiverde geloof
Wij lieten niets heel van de kerken
brulden in Gods huis en zetten onze zegetekens neer
wij sloegen met bijl en breekijzer al het snijwerk kort en klein
legden heiligdommen in as, verwoestten en ontwijdden de plaatsen van Gods naam.
Zij die niet horen wilden moesten maar voelen, vonden wij.
Heiligenbeelden en kerkelijke rijkdom - een gruwel voor de Heer;
gezag over vrije burgers door die papen van Rome - naar de ondergang ermee.
Het leidde tot oorlog met Spanje en binnenlandse twisten,
eeuwenlange kloven tussen protestant en katholiek het gevolg.

Iconoclasme in de Bijlmer:
‘Net zo lang trappen tot Zwarte Piet er niet meer is’.
Standbeelden van slavenhandelaren in Engeland worden van hun voetstuk gerukt.
Symbolen van racisme moeten worden verwijderd,
een cultuur die zwart minderwaardig maakt verdient geen respect.

Maar God, dat de zee niet wordt gespleten en de koppen van monsters niet op het water worden verpletterd, de schedels van Leviatan niet verbrijzeld en als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn.

Dat zij die worden aangeklaagd zich niet schuldig voelen, terugvechten of zwijgen
maar hun verantwoordelijkheid nemen.

God, geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren,
vergeet uw vernederde volk niet voorgoed.

1 Een kunstig lied van Asaf.
Waarom, God, hebt u ons voor altijd verstoten,
brandt uw woede tegen de schapen die u hoedt?
2 Denk aan het volk dat u ooit hebt verworven,
de stam die u hebt vrijgekocht, uw eigen bezit,
de Sionsberg waar u ging wonen.
3 Kom naar de stad die voor altijd in puin ligt,
de vijand liet niets van het heiligdom heel.
4 In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders,
zij zetten er hun zegetekens neer.
5 Zoals met kapmessen wordt ingehakt
op struikgewas en kreupelhout,
6 zo sloegen zij met bijl en breekijzer
al het snijwerk kort en klein.
7 Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd,
de plaats waar uw naam woont, verwoest en ontwijd.
8 ‘We vagen alles weg,’ zeiden ze,
en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand.
9 Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer,
en geen van ons weet voor hoe lang.
10 Hoe lang nog, God, zal de tegenstander u bespotten?
Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen?
11 Waarom houdt uw hand zich in bedwang?
Hef uw machtige hand en sla toe,
12 God, mijn koning van oudsher,
die verlossing brengt in het hart van het land!
13 U hebt door uw kracht de zee gespleten
en de koppen van monsters op het water verpletterd,
14 u hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld,
hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn,
15 u hebt bronnen en beken laten ontspringen,
altijd stromende rivieren drooggelegd.
16 Van u is de dag, van u is de nacht,
u hebt maan en zon een vaste plaats gegeven,
17 u hebt de grenzen van de aarde bepaald,
zomer en winter – u hebt ze gevormd.
18 Bedenk dit, HEER, nu de vijand u bespot
en dwazen uw naam beschimpen.
19 Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren,
vergeet uw vernederd volk niet voorgoed.
20 Kom uw verbond met ons na – vol is het land
met duistere oorden, holen van geweld.
21 Laat verdrukten niet teleurgesteld heengaan,
laat zwakken en armen uw naam loven.
22 Sta op, God, verdedig uw zaak,
bedenk dat dwazen u dag na dag bespotten,
23 vergeet het razen van uw tegenstanders niet,
het tieren van uw vijanden – het klinkt voortdurend op.

Psalm 73

Bij psalm 73 - door Greteke de Vries

Jij ziet
de mensen die niet ziek worden
die meer dan genoeg te eten hebben
die niet gekweld worden door duizend vragen -
het lijden gaat aan hen voorbij.
Je ziet
dat zij het zich kunnen veroorloven
arrogant te zijn en geweld te gebruiken,
zij, met hun bolle koppen en hun gebrek aan bescheidenheid.
Jij hoort
hoe zij spotten, kwaadspreken,
zwaaien met hun machtsvertoon.
Hun hoogdravende woorden
waarmee zij zich overal mee bemoeien
hebben groot succes.
Iedereen loopt achter hen aan!
Die praatjes geloven zij
en die van God, van de Torah niet.
Jij weegt hen
noemt ze goddeloze zelfverrijkers,
onverschillig voor wie het minder gaat.
Jij wilt niet met hen meedoen,
zuiver blijven,
maar het levert je niks op.
Het leven slaat jou iedere dag.
Je worstelt
of jij God ook zal verlaten
Je trouw aan je eigen volk,
aan je God die jou richting geeft
weerhoudt jou ervan.
In Gods heiligdom komt jouw strijd tot rust.
Je ziet hun ondergang voor je
op een glibberig pad, in een diepe afgrond,
een ijzingwekkende dood.
Aan fantasie ontbreekt het je niet.
Niet langer vergelijk jij jezelf met hen,
overweeg jij van kamp te veranderen.
Jij vindt je steun bij je God
verlangt niet langer naar meedoen met de zorgelozen
en vertrouwt
gerechtigheid doen toe aan God.

Zeg mij:
is dit de vrome weg van machtelozen
of de wijsheid van wie de waarheid dóór heeft?

Ja, God is goed voor Israël,
voor wie zuiver zijn van hart!
2 Toch had ik bijna een misstap begaan,
bijna waren mijn voeten uitgegleden,
3 want ik keek met afgunst naar de dwazen,
benijdde het geluk van wie kwaad doen.
4 Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard,
hun buik is goedgevuld,
5 aardse kwellingen kennen zij niet,
het lijden van anderen gaat aan hen voorbij.
6 Daarom is hoogmoed hun halssieraad
en bedekt geweld hen als een mantel,
7 hun ogen puilen uit het vet,
van eigenwaan zwelt hun hart.
8 Ze spotten, spreken kwaad
en dreigen vanaf hun hoge zetels,
9 ze zetten een mond op tot aan de hemel
en hun tong roert zich overal op aarde.
10 Daarom lopen de mensen achter hen aan,
drinken hun woorden in als water
11 en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten?
Heeft de Allerhoogste een antwoord?’
12 Zo zijn de goddelozen ten voeten uit,
ze verrijken zich, onverstoorbaar.
13 Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver
en waste ik mijn handen in onschuld!
14 Want ik werd gestraft, dag aan dag,
en geslagen, elke morgen weer.
15 Maar zou ik spreken als zij,
ik pleegde verraad aan Gods kinderen!
16 Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten
waarom – het was een vraag die mij kwelde,
17 tot ik Gods heiligdom binnenging
en mij hun einde voor ogen bracht.
18 Ja, u zet hen op een glibberig pad
en stort hen in een diepe afgrond.
19 In een oogwenk is het met hen gedaan,
hun ondergang, hun einde is een verschrikking.
20 Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,
bij het opstaan verjaagt u ze als beelden uit een droom.
21 Zolang ik verbitterd was,
gekwetst van binnen,
22 dom en dwaas,
was ik bij u als een redeloos dier.
23 Maar nu weet ik mij altijd bij u,
u houdt mij aan de hand
24 en leidt mij volgens uw plan.
Dan neemt u mij weg, met eer bekleed.
25 Wie buiten u heb ik in de hemel?
Naast u wens ik geen ander op aarde.
26 Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb,
is God, nu en altijd.
27 Wie ver van u blijven, komen om,
wie u ontrouw zijn, verdelgt u.
28 Bij God te zijn is mijn enig verlangen,
mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.
Van al uw daden zal ik verhalen.

Psalm 72

Bij psalm 72 - door Ynze Baumfalk

Doe open dat boek, Mister President,
daar in je mooie Witte Huis.
Open dat boek en lees!

Lees hoe de wet moet luiden.
Lees waar de mensheid zo lang al om schreeuwt:
justice, gerechtigheid.

Doe waar de mensen al eeuwen naar snakken:
recht doen aan de zwakken,
redding bieden aan de armen,
de onderdrukker neerslaan.

De onderdrukker neerslaan,
niet de vreedzame demonstrant.
niet een ongewapende zwarte man.

Lees wat je moet doen, Mister President!
Bevrijd wie om hulp roept,
bescherm de weerlozen.

Doe open dat boek, Mister President!

God, o, God,
leer die kerel de waarheid!

1Van Salomo. Geef, o God, uw wetten aan de koning, uw gerechtigheid aan de koningszoon. 2Moge hij uw volk rechtvaardig besturen, uw arme volk naar recht en wet.

3Mogen de bergen vrede brengen aan het volk en de heuvels gerechtigheid. 4Moge hij recht doen aan de zwakken, redding bieden aan de armen, maar de onderdrukker neerslaan.

5Moge hij leven zolang de zon bestaat, zolang de maan zal schijnen, van geslacht op geslacht. 6Moge hij zijn als regen die valt op kale akkers, als buien die de aarde doordrenken.

7Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien, de vrede wereldwijd zijn tot de maan niet meer bestaat. 8Moge hij heersen van zee tot zee, van de Grote Rivier tot de einden der aarde.

9Laten de woestijnbewoners voor hem buigen, zijn vijanden het stof van zijn voeten likken.10De koningen van Tarsis en de kustlanden, laten zij hem een geschenk brengen.

De koningen van Seba en Saba, laten ook zij hem schatting afdragen. 11Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, lle volken hem dienstbaar zijn.

12Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. 13Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven.

14Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.15Leve de koning! Men zal hem goud van Seba schenken, zonder ophouden voor hem bidden, hem zegen toewensen, dag aan dag.

16Er zal overvloed van koren zijn in het land, zelfs op de toppen van de bergen. Rijpe aren zullen golven als de bossen van de Libanon. Vanuit zijn stad zal voorspoed ontluikenals jong groen op de aarde.

17Zijn naam zal eeuwig bestaan, zijn naam zal voortleven zolang de zon zal schijnen. Men zal wensen gezegend te worden als hij, en alle volken prijzen hem gelukkig.

18Geprezen zij God, de HEER,de God van Israël.Hij doet wonderen, hij alleen.19Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig. Moge zijn luister heel de aarde vervullen. Amen, amen!

Psalm 71

Bij psalm 71 - door Greteke de Vries

Alles wordt gemeten in kosten en baten,
uitgaven en opbrengsten tellen zij dag en nacht.
Nu ik oud ben willen zij mij verstoten
zij verlaten mij nu mijn krachten zijn afgenomen.
Mijn vijanden spreken over mij als kostenpost
ze vinden het vanzelfsprekend dat ik nu het loodje leg.
Ze zeggen: “de zeis gaat vooral door het dorre hout”
En “zij die te dik zijn en hebben gerookt hoeven wij niet te redden”.
God, blijf niet ver van mij!
Heb ik ook voor u iedere waarde verloren
U ziet toch wat ik nog te geven heb?
Laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,
wie mijn ongeluk zoeken met schande worden bedekt.
God, u onderwees mij van jongs af aan dat u niet loslaat wat u begonnen bent,
over dat wonder van trouw houd ik niet op.
Nu ik oud en grijs ben verlaat ú mij niet,
dat bid ik u - ik heb nog een taak.
Ik kan het nageslacht vertellen van het leven,
hoe ik sadder and wiser werd,
wat mij goed deed en waar ik de fout in ging,
wat rechtvaardig is en wat beschamend
voor uw aangezicht.
U hebt mij immers doen zien
veel ellende en nood –
maar ik heb het uitgehouden,
ik weet wat neergang is en weer herrijzen.
Die jonge geldwegers hebben weinig weet van het leven
zij kennen de diepte en rijkdom van de waarheid niet.
Verhoog mij in aanzien, God,
Omgeef mij met uw troost.
Dat ik spoedig zal sterven - ik ben in uw handen.
Dat zij niet treuren om mijn dood – in wat voor handen moet ik het uithouden?
Mijn lippen zullen voor u juichen,
voor u ben ik alles behalve een uitgave voor niets;
Wie mijn ongeluk zoekt zal te schande staan.


[…] 9 Verstoot mij niet nu ik oud word,
verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.
10 Mijn vijanden spreken over mij,
ze loeren op mij en spannen samen,
11 ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten,
jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’
12 God, blijf niet ver van mij,
mijn God, kom mij haastig te hulp,
13 laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,
wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt. […]
17 God, u onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.
18 Nu ik oud en grijs ben,
verlaat mij niet, o God,
zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind,
kan verhalen van de macht van uw arm.
19 Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God,
u hebt grootse daden verricht.
God, wie is aan u gelijk?
20 U hebt mij doen zien
veel ellende en nood –
laat mij nu herleven,
laat mij herrijzen
uit de diepten van de aarde.
21 Verhoog mij in aanzien,
omgeef mij met uw troost.
22 Dan zal ik u loven bij het spel op de harp,
u en uw trouw, mijn God.
Ik zal voor u zingen bij de lier,
Heilige van Israël.
23 Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing,
ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost.
24 Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken: wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.

Psalm 70

Bij psalm 70 - door Anneke Nolet

Black lives matter! Elder lives matter!

God, breng mij uitkomst
Aanwezige, kom mij haastig te hulp

Dat rood van schaamte worden
die mij geen leven gunnen;
dat zij bewust van hun schande,
de foute vreugde verstomd,
op hun schreden terugkeren.

Voor ieder geldt toch
dat zij lachen en vrolijk zijn
minnend uw heil.
Van het onverwachte zullen zij het verwachten
zeggend: Die er zal zijn is grootmachtig!

Ik ben arm en ellendig,
kom snel Aanwezige,
U bent mijn hulp,
U bent mijn bevrijdster,
laat u niet wachten!


1 Voor de koorleider. Van David, een dringend gebed.
2 God, breng mij uitkomst,
HEER, kom mij haastig te hulp.
3 Dat beschaamd en vernederd worden
wie mij naar het leven staan,
met schande terugwijken
wie mijn ongeluk zoeken,
4 beschaamd zich omkeren
wie de spot met mij drijven.
5 Wie bij u hun geluk zoeken
zullen lachen en vrolijk zijn,
wie van u hun redding verwachten
zullen steeds weer zeggen:
‘God is groot!’
6 Ik ben arm en zwak,
God, kom haastig,
u bent mijn helper, mijn bevrijder,
HEER, wacht niet langer.

Psalm 69

Bij psalm 69 - door Greteke de Vries

Eerst is er de dreiging van de dood
het zich schor roepen om hulp
tot God, tot wie maar helpen kan.
Eerst is er de uitputting, de ervaring van haat, van gevaar op valse gronden.
Teruggeven wat ik niet heb geroofd –
die kennen we.
Schuldig bevonden worden zonder grond.
Daarna is er de zelfreflectie.

Nu wordt het spannend.
Is er sprake van ook eigen schuld?
Van onverantwoordelijk, beschamend gedrag?

Nog spannender.
Kan het zijn dat mijn gedrag anderen te schande maakt?
Dat ze zeggen: door jou, door mij dus,
komt God in een kwaad daglicht te staan
onze zaak, ons leven, ons volk.
Jij maakt het ons, je broers, je zusters, onnodig moeilijk.
Jouw gedrag tast ons aller eer aan!
Kwam het omdat ik geweld vergoeilijkte waar vreedzaamheid van mij gevraagd werd,
omdat ik nam van anderen, waar ik mij met wijsheid had te gedragen?

Ben ik het,
die u te schande maakt
- u en uw ganse kerk
over wie gepraat wordt en gespot
ben ik het
die met een bijbel Law and Order preekt.
Voor uw huis.
Ben ik uw vijand, Heer?

Antwoord ons, God.
Wie kan rekenen op uw mededogen
uw ontferming is voor wie bestemd?
Aan wie toont ge uw trouw,
Verlossen zult gij wie?

Wie is uw vijand, wie schrapt u uit uw boek?

De nederigen van hart zien u
en verheugen zich.
De Heer hoort de armen.
Zijn gevangen volk verwerpt hij niet.


o1Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van David.
2 Red mij, God,
het water staat aan mijn lippen,
3 ik zink weg in bodemloos slijk
en vind geen grond voor mijn voeten,
ik ben in diep water geraakt,
de stroom sleurt mij mee.
4 Uitgeput ben ik van het roepen,
mijn keel is schor geschreeuwd,
mijn ogen zijn verzwakt
van het uitzien naar mijn God.
5 Talrijker dan de haren op mijn hoofd
zijn zij die mij haten zonder reden,
met velen zijn mijn belagers,
mijn vijanden die mij bedriegen:
teruggeven moet ik
wat ik niet heb geroofd.
6 God, u kent mijn lichtzinnig leven,
mijn schuld is u niet ontgaan.
7 Laat ik niet beschamen wie naar u uitzien,
HEER, God van de hemelse machten,
laat wie u zoekt niet om mij te schande staan,
God van Israël.
8 Om u moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
9 Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
10 De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.
11 Ik huilde tranen toen ik vastte,
maar wat ik oogstte was hoon,
12 ik hulde mij in een boetekleed,
maar verachting werd mijn deel.
13 In de stadspoort wordt over mij gepraat,
en de liedjes van drinkers spotten met mij.
14 En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u,
laat dit een uur zijn van mededogen.
Groot is uw ontferming, God, antwoord mij,
toon uw trouw en red mij.
15 Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink,
laat mij ontkomen aan wie mij haten,
haal mij uit dit diepe water.
16 Laat de stroom mij niet meesleuren,
het slijk mij niet verzwelgen,
de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.
[…]
33 De nederigen zien het en verheugen zich,
wie God zoeken, hun hart zal opleven.
34 Want de HEER hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt hij niet.
35 Hemel en aarde moeten hem loven,
de zeeën, met alles wat daarin leeft.
36 Want God zal Sion redden
en de steden van Juda herbouwen.
Daar zal worden geleefd en geërfd,
37 het volk dat hem dient, zal het land bezitten,
wie zijn naam liefheeft, mag er wonen.

Psalm 68

Bij psalm 68 - door Greteke de Vries

Vijanden stuiven uiteen, haters vluchten,
worden verdreven, verstrooid op de wind,
vergaan door het vuur.
Leiders vluchten, legers vluchten,
rechtvaardigen nemen tienduizenden gevangenen mee,
de buit wordt verdeeld,
het hoofd van de vijand wordt verpletterd,
de harige kruin, van
van wie
van die zwarte man, George Floyd?
Bij welke stoet gaat God vooraan
in deze roes van strijd en wraakzucht,
wie moet het recht van de anderen erkennen
wie claimt de hulp van de allerhoogste?
Opstandigen krijgen dor land,
verdienen geen leven -
maar wie zijn hier de opstandigen,
wie worden hier ongedierte genoemd,
dolle stieren, belust op strijd -
wie is hier met schuld beladen
wie wil hier waden in wiens bloed?
Geen kan juichen met vreugde
Geen zingt een lied van overwinning.

De God van Israël, hij geeft macht
en nieuwe kracht aan zijn volk
dat strijdt tegen anti-zwart politiegeweld.
God betere hun lot!

Op 25 mei werd de Afro-Amerikaanse Georg Floyd in Minneapolis gedood door een politieman die met zijn knie 8 minuten diens hals afklemde terwijl Floyd geboeid op zijn buik op straat lag. Daarop volgenden wereldwijd protesten vanwege politiegeweld tegen de zwarte bevolking van de V.S. maar – vandaag, 1 juni 2020 - ook tegen racisme en anti-zwart politiegeweld in Nederland.


1Voor de koorleider. Van David, een psalm, een lied.
2 God staat op,
zijn vijanden stuiven uiteen,
zijn haters vluchten als hij verschijnt.
3 U verdrijft ze zoals wind de rook verdrijft.
Zoals was smelt bij het vuur,
zo vergaan de zondaars als God verschijnt.
[….]
7 God geeft eenzamen een thuis
en gevangenen vrijheid en voorspoed.
Maar opstandigen zullen wonen op dorre grond.
[…]
12 De HEER sprak een bevel uit,
een menigte vrouwen zei het voort:
13 ‘Koningen vluchten, hun legers vluchten,
thuis verdelen de vrouwen de buit
14 en jullie slapen bij de schaapskooi!’
[…]
18 Met machtige wagens, tweemaal tienduizend,
met duizenden en duizenden,
trok de Heer van de Sinai naar het heiligdom.
19 U voerde gevangenen mee,
eiste gaven van opstandige mensen,
en steeg op naar uw woning, HEER, onze God.
[…]
22 God verplettert de hoofden van zijn vijanden,
de harige kruinen van wie met schuld zijn beladen.
23 De Heer zegt: ‘Ik haal jullie vijanden uit Basan,
ik haal ze uit de diepten van de zee:
24 jullie voeten zullen waden in hun bloed,
jullie honden likken het op met hun tong.’
25 Een schouwspel is uw stoet, o God,
de stoet van mijn God, mijn koning, naar zijn heiligdom:
[…]
31 Vaar uit tegen het gedierte in het riet,
die troep stieren, die kalveren van volken.
Vertrap wie zilver begeren,
verstrooi de volken die belust zijn op strijd.
[…]
zing een lied voor de Heer, sela
34 voor hem die rijdt door de hoogste, eeuwige hemel.
Hoor, zijn stem is een machtige stem.
[…]
De God van Israël, hij geeft macht
en nieuwe kracht aan zijn volk.
Geprezen zij God!

Psalm 67

Bij psalm 67 - door Greteke de Vries

Omdat de volken u loven
loof ik ook u.

Zij lieten vandaag het licht van uw gelaat over mij schijnen:

H. uit Suriname ontroerde met haar gebed voor haar zoon na zijn ongeluk….
L. uit Ghana zegende me aan het eind van ons gesprek….
Collega E. uit Egypte dankte zo liefdevol voor mijn appje…
H. uit Sri Lanka vertelde me door de telefoon over haar vertrouwen in u ….
A. uit Nigeria berichtte me zorgzaam over M….
M. uit Oeganda prees u omdat de operatie vannacht van haar zoontje geslaagd is…

O God, alle volken loven u in Amsterdam–
alle naties vinden vreugde in u die hen zegent.

God, onze God, u zegent ook mij -
vanuit de uiteinden der aarde
leren zij mij uw wegen kennen.


1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm, een lied.
2 God, wees ons genadig en zegen ons,
laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, sela
3 dan zal men op aarde uw weg leren kennen,
in heel de wereld uw reddende kracht.
4 Dat de volken u loven, God,
dat alle volken u loven.
5 Laten de naties juichen van vreugde,
want u bestuurt de volken rechtvaardig
en regeert over de landen op aarde. sela
6 Dat de volken u loven, God,
dat alle volken u loven.
7 De aarde heeft een rijke oogst gegeven,
God, onze God, zegent ons.
8 Moge God ons blijven zegenen,
zodat men ontzag voor hem heeft
tot aan de einden der aarde.

Psalm 66

Bij psalm 66 - door Greteke de Vries

Wanneer is het moment daar?
Wanneer verwondering
dankbaarheid
een lied voor God?
Niet aan het begin –
als je nog van niets weet
Ook niet in het midden -
als je terug wilt naar het begin.
Wanneer is het einde
dat je het weet
dat je niet voor niets geroepen hebt
dat je het uitgehouden hebt
dat je er niet slechter van geworden bent
dat je eraan voorbij bent
dat je als nieuw geworden bent?
Later, veel later zullen we het weten.
God kan alleen van achteren gekend worden
Alleen in de toekomst geprezen worden voor nu.


1 Voor de koorleider. Een lied, een psalm.
Heel de aarde, juich voor God,
2 bezing de eer van zijn naam,
breng hem eer en lof.
3 Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden,
uw vijanden kruipen voor u, zo groot is uw macht.
4 Laat heel de aarde voor u buigen
en zingen, uw naam bezingen.’ sela
5 Kom en zie de werken van God,
zijn daden vervullen de mens met ontzag:
6 hij heeft de zee veranderd in droog land,
zijn volk trok te voet door de rivier.
Laten wij ons dan in hem verheugen:
7 machtig heerst hij voor eeuwig,
zijn ogen waken over de volken.
Laat niemand zich tegen hem verzetten. sela
8 Prijs, o volken, onze God,
laat luid uw lof weerklinken,
9 hij heeft ons het leven gegeven
en onze voeten voor struikelen behoed.
10 U hebt ons beproefd, o God,
ons gezuiverd, gezuiverd als zilver,
ons een zware last op de schouders gelegd.
12 Mensen zijn over ons heen gereden,
wij zijn door vuur en door water gegaan,
maar u bracht ons naar een land van overvloed.
13 Ik zal met offers uw huis binnengaan
en doen wat ik u beloofd heb,
14 wat mijn lippen hebben toegezegd,
mijn mond in nood heeft gesproken:
15 ‘Vetgemeste schapen zal ik u aanbieden,
een geurig offer van rammen,
ik zal stieren en bokken slachten.’ sela
16 Kom en hoor wat ik wil vertellen,
ieder die ontzag heeft voor God,
hoor wat hij voor mij heeft gedaan.
17 Toen mijn mond hem aanriep,
lag een lofzang op mijn tong.
18 Had ik kwaad in mijn hart gevonden,
de Heer had mij niet gehoord.
19 Maar God heeft mij gehoord,
hij heeft geluisterd naar mijn gebed.
20 Geprezen zij God,
hij heeft mijn gebed niet afgewezen,
mij zijn trouw niet geweigerd.

Psalm 65

Bij psalm 65 - door Greteke de Vries

De stilte zingt u toe, o Here
In uw verheven oord.

Niet meer de liedjes die we nu wel kennen
de meningen, grafieken, interpretaties
die ons hart beheersen,
de beelden, de regels, het commentaar
als ons dagelijks brood.

U komt de lof toe –
U, één en al barmhartigheid.
Wie u weet te naderen kan zich gelukkig prijzen
Wie weet van heiligheid wordt verzadigd,
hoort antwoord op de bange vragen:
dat u recht doet en ons redt.

Ons –
dat dode wereldlichaam,
gespierd maar zonder kracht?
Gezien, omhelsd en opgetild,
gedragen tot in uw hemel?
Uw zorg bedaart de razende natuur
Uw liefde is sterker dan de dood?
En wij dan zingen van oost naar west
juichende klanken van de een naar de ander?

Ik kijk en kijk en kijk maar vind u niet.

Hoor mijn bidden,
in stilte,
tot u komt deze sterveling.




Het Rijksmuseum ontving als gift van kunsthandelaar Haboldt dit schilderij van Bartholomeus Spranger "Engelen dragen het lichaam van Christus", als eerbetoon aan de coronaslachtoffers, als "iets dat ons nog heel lang bij kan blijven en ons kan helpen door deze moeilijke periode"


1 Voor de koorleider. Een psalm van David, een lied.
2 U komt de lof toe,
God die woont op de Sion,
u zult ontvangen wat u is beloofd.
3 U die ons bidden hoort –
tot u komt de sterveling.
4 Worden onze zonden mij te zwaar,
u neemt weg wat wij misdeden.
5 Gelukkig wie door u gekozen is en u mag naderen,
hij mag wonen in uw voorhoven.
Wij genieten het goede van uw huis,
het heilige van uw tempel.
6 Ontzagwekkend is uw antwoord,
u doet recht en redt ons, God,
op u hopen de einden der aarde,
de verten van de zee.
7 U hebt met kracht de bergen vastgezet,
u bent omgord met macht,
8 u brengt tot bedaren het geraas van de zeeën,
het gebulder van de golven,
het tumult van de volken.
9 Vrees voor uw tekenen vervult de bewoners der verten,
u brengt gejuich van het oosten tot het westen.
10 U zorgt voor het land en bevloeit het,
u maakt het vruchtbaar,
vol water staat de rivier van God.
U bewerkt het land voor het koren, zo bewerkt u het:
11 u doordrenkt de voren en effent de kluiten,
doorweekt ze met regen en zegent het jonge groen.
12 U kroont het jaar met uw goede gaven,
waar uw voeten gaan, druipt het van overvloed,
13 de velden in de steppe druipen,
de heuvels omgorden zich met gejubel,
14 de weiden kleden zich met kudden,
de dalen tooien zich met graan.
Zij zingen en juichen elkaar toe.

Psalm 64

Bij psalm 64 - door Greteke de Vries

Hoor onze stem, hoor onze klacht
Behoed ons voor de dreiging van opgefokte types,
Bescherm mij tegen die groepen jongeren, tegen meutes die tegen ons opstaan.
“Het licht ging even helemaal uit. Ik ben maar een onderdeurtje, die kerel die sloeg was drie koppen groter. Mijn collega werd aangepakt door een paar andere gasten. Dan voel je je machteloos.”
“Als je opgefokte types aanspreekt, zie je ze kijken: wat heeft ie bij zich? Ik heb geen wapenstok, maar zodra zich een collega van mij meldt die dat wel heeft, druipen ze gelijk af.”
“Het is ongelofelijk wat mensen doen als ze zien dat je eigenlijk niets kan doen om je te verdedigen. Een paar weken geleden spraken we een groep jongeren aan in het Westerpark. We werden uitgescholden en mijn collega is in een wurggreep genomen.”
“Een collega is al verschillende malen bespuugd.”
Ze lijken zo onschuldig,
Het zijn zulke gewone mensen,
Maar zo verborgen is hun plan
Diep als een afgrond is het hart van de mens.

Zal God ons helpen? Hen op hun beurt onverwoeds verwonden, hun tong tot zwijgen brengen, wie hen ziet schudt verbijsterd het hoofd?

“Wij mogen wel een wapenstok dragen. Natuurlijk lossen wij het met onze mond op, maar als het echt dreigend wordt, kan ik mijn wapenstok trekken. Dat is verschillende keren gebeurd. Ik heb er nog nooit mee hoeven slaan.”
“… in de binnenstad van Amsterdam kunnen stok en pepperspray het verschil maken.”

Is Gods hulp hier ter zake
Een toevlucht voor de rechtvaardige?


25 mei 2020, Buitengewone Opsporings Ambtenaren protesteren vóór meer mogelijkheden om op te treden tegen overtreders van de 1,5 m afstandsregel.

1Voor de koorleider. Een psalm van David.
2 Hoor mijn stem, God, hoor mijn klacht,
behoed mij voor de dreiging van de vijand,
3 verberg mij voor die misdadige bende,
voor die meute van boosdoeners.
4 Ze scherpen hun tong als een mes,
ze richten hun pijl, een giftig woord,
5 uit verborgen hoeken schieten ze op een onschuldige,
ze schieten onverhoeds, voor niemand bang.
6 Ze wapenen zich met kwade woorden,
overwegen het zetten van een val,
en zeggen: ‘Wie zou het zien?’
7 Ze zinnen op misdaden en denken:
‘We lijken onschuldig, zo verborgen is ons plan.
– Diep als een afgrond is het hart van de mens.’
8 Dan schiet God zijn pijl op hen af,
onverhoeds worden ze zwaar verwond,
9 hun eigen tong heeft hen ten val gebracht,
wie hen ziet, schudt verbijsterd het hoofd.
10 De mensen zijn van ontzag vervuld
en roemen wat God heeft gedaan,
zij beseffen dat het zijn werk is.
11 De rechtvaardige verblijdt zich in de HEER
en zoekt bij hem zijn toevlucht.
Wie oprecht van hart is, prijst zich gelukkig.

Psalm 63

Bij psalm 63 - door Greteke de Vries

God, u bent mijn God, u zoek ik,
naar u smacht mijn ziel,
naar u hunkert mijn lichaam
in een dor en dorstig land
vol bergen om tegen op te zien,
en kronkelende wegen zonder eind.
Eerder heb ik u wel gezien
uw macht en majesteit aanschouwd
uw liefde ervaren, uw lof gezongen.
Maar kan ik ook nu nog u prijzen,
roepen uw naam, de handen geheven?
Neen!
Leegte zoek ik! Niets
anders kan mijn ziel verzadigen
dan dat ik zwijgen mag, u
mijn loflied niet verwacht.
Liggend op mijn bed denk ik dat u Leegte bent,
Wakend in de nacht roep ik om Niets.
Dat álles wat bedrukt van me wordt wéggenomen,
dat u dat doet, dat u mij vasthoudt,
dat ik mét u Niets wordt, Leeg en Vrij.
En dat alle moeiten verdwijnen in een gat in de aarde!
Dan zal ik mij verheugen in God die Alles is,
mij gelukkig prijzen om Zijn trouw.

Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.

God, u bent mijn God, u zoek ik,
naar u smacht mijn ziel,
naar u hunkert mijn lichaam
in een dor en dorstig land, zonder water.

In het heiligdom heb ik u gezien,
uw macht en majesteit aanschouwd.
Uw liefde is meer dan het leven,
mijn lippen zingen uw lof.

U wil ik prijzen, mijn leven lang,
roepend uw naam, de handen geheven.
Dan wordt mijn ziel verzadigd met uw overvloed,
jubel ligt op mijn lippen, mijn mond zal u loven.

Liggend op mijn bed denk ik aan u,
wakend in de nacht prevel ik uw naam.
U bent altijd mijn hulp geweest,
ik juichte in de schaduw van uw vleugels.
Ik ben aan u gehecht, met heel mijn ziel,
uw rechterhand houdt mij vast.

Laat verzinken in de diepten der aarde
wie mij naar het leven staan,
laat ten prooi vallen aan de jakhalzen
wie mij uitleveren aan het zwaard.
Maar de koning zal zich verheugen in God,
wie hem trouw zweert,  prijst zich gelukkig –
leugenaars wordt de mond gesnoerd.

Psalm 62

Bij psalm 62 - door Ynze Baumfalk

Ik zweer je: God geeft rust in mijn hoofd
en stopt al dit tollen en tuimelen
van dolgedraaid wereldnieuws
en mooie praatjes.

Ik zweer je: God geeft weer wat hoop.
Ik zweer je: daar kan ik even de ramen sluiten,
daar kun je even je hart uitstorten.
Doen! Ik zweer je!

Ik zweer je: van mensen moet je het niet hebben,
lichtgewichten zijn het,
allemaal.

Duidelijk te zien, toch, duidelijk te horen?
God heeft de macht.

En toen begon in mijn hoofd
weer dat tollen en tuimelen.

Voor de koorleider. Naar de wijze van Jedutun. Een psalm van David.

Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.

Hoelang zult gij op een man aanstormen?
Gij allen zult omvergestoten worden
als een hellende wand, een neerstortende muur.

Waarlijk, zij beraadslagen
om hem van zijn hoogte af te stoten,
zij scheppen behagen in leugen;
zij zegenen met hun mond,
maar in hun binnenste vloeken zij.

Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God,
want van Hem is mijn verwachting;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet wankelen.
Op God rust mijn heil en mijn eer,
mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God.
Vertrouwt op Hem te allen tijde, o volk,
stort uw hart uit voor zijn aangezicht;
God is ons een schuilplaats.

Waarlijk, een ademtocht zijn de geringen,
een leugen de aanzienlijken;
in de weegschaal gaan zij omhoog,
tezamen lichter dan een ademtocht.

Vertrouwt niet op verdrukking,
stelt geen ijdele hoop op roof;
als het vermogen aanwast,
zet er het hart niet op.

God heeft eenmaal gesproken,
ik heb dit tweemaal gehoord:
de sterkte is Godes.
Ook de goedertierenheid, o Here, is uwe,
want Gij zult ieder vergelden naar zijn werk.

Psalm 61

Bij psalm 61 - door Esger Renkema

God, kun je mij horen?
Wil je mij helpen?
Je lijkt zo ver weg
en ik houd het niet meer vol.

God, kun je mij helpen?
De rots die te hoog voor mij is:
daar wil ik bovenop,
daar wil ik overheen.

God, je lijkt wel een toren.
Te sterk voor de vijand,
maar ook te sterk voor mij:
ik kan er niet in.

Wat heb ik aan een toren?
Laat mij bij je wonen, God,
al is het onder een lap stof,
nee, onder je vleugels wil ik zijn.

Vraag ik teveel?
Hoor je me wel?
Zie je niet dat ik van je hou?

Als je mij niet helpt, God,
help dan de koning.
Laat hem zitten op zijn troon,
maar dan wel in trouw en waarheid.
Dan is er tenminste vrede!

Als je dat alleen maar doet, God,
wil ik wel voor altijd voor je zingen!
Je hoort mij toch, God,
je hoort toch wel wat ik beloof?

Toelichting: in een oude uitgave stond boven deze psalm: ‘in ballingschap’.

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Van David.

Hoor, o God, mijn smeken,
sla acht op mijn gebed,
van het einde der aarde roep ik u aan,
want mijn hart bezwijkt.
Breng mij op de rots hoog boven mij,
u bent altijd mijn schuilplaats geweest,
een toren te sterk voor de vijand.

Laat mij altijd wonen in uw tent,
veilig verscholen onder uw vleugels,  sela
u hoort mijn geloften, God,
u beloont wie uw naam vereren.

Voeg dagen toe aan de dagen van de koning,
dat zijn jaren duren van geslacht op geslacht.
Wil zijn troon altijd beschermen, God,
laten trouw en waarheid over hem waken.
Dan zal ik uw naam voor altijd bezingen,
en mijn geloften volbrengen, dag na dag.

Psalm 60

Bij psalm 60 - door Greteke de Vries

Verstoten uit het gewone
gebroken ons vertrouwen
bevend en barstend,
scheurend en wankelend -
onze wereld en ons land.
Wij moesten ellende in de ogen zien
verdoofd volgden wij het oprukkend kwaad.
Wij ontvingen decreten ter bescherming
kapjes en maskers rusten ons toe tot de strijd.
Wij zochten overwinning en nu gaan wij juichen,
want wij zijn toe aan …. de volgende stap.
Alles moet langzaamaan weer gewoner worden,
af willen wij van de permanente crisissfeer.
MCCb, RIVM, OMT en NCTV
zullen verdwijnen uit ons dagelijks beeld,
hulpdiensten schalen af maar blijven waakzaam
anderhalve meter moet worden nageleefd.
Onze vesting hebben wij versterkt,
wij honen hen die de vijand niet keren.
Zijt Gij het, die ons dit aandeed
ons verzet kwam dat eveneens uit uw hand?
Ach, wij zullen kloeke daden blijven doen
een nieuwe uitbraak is niet uitgesloten.
God, kom ons te hulp.

NBG-vertaling 1951

   Voor de koorleider. Op de wijze van: De lelie der getuigenis.
   Een kleinood van David, tot lering; toen hij de Arameeërs van Mesopotamië en de Arameeërs van Soba had bestreden, en Joab op de terugtocht de Edomieten in het Zoutdal had verslagen, twaalfduizend man.

   O God, Gij hebt ons verstoten, Gij hebt ons verbroken,
Gij zijt verbolgen geweest; herstel ons!
   Gij hebt het land doen beven en barsten;
heel zijn scheuren, want het wankelt.
   Gij hebt uw volk harde dingen doen zien,
Gij hebt ons bedwelmende wijn doen drinken.
   Gij hebt hun die U vrezen, een banier gegeven,
om zich bijeen te scharen vanwege de boogschutters, sela
   opdat uw geliefden ten strijde toegerust zijn.
Geef overwinning door uw rechterhand en antwoord ons.
   God heeft gesproken in zijn heiligdom.
Ik wil juichen, ik wil Sichem verdelen,
het dal van Sukkot uitmeten.
   Mij behoort Gilead en mij behoort Manasse,
Efraïm is de schutse van mijn hoofd,
Juda is mijn heersersstaf;
   Moab is mijn wasbekken,
op Edom werp ik mijn schoen,
over Filistea juich ik.
   Wie zal mij naar de versterkte veste brengen,
wie zal mij naar Edom geleiden?
   Zijt Gij het niet, o God, die ons verstoten hadt;
zult Gij, o God, niet uittrekken met onze heerscharen?
   Bied ons hulp tegen de tegenstander,
want mensenhulp is ijdel.
   Met God zullen wij kloeke daden doen,
want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden.

Psalm 59

Een litanie van hulpgeroep, klachten en zelfrechtvaardiging.
Hoelang nog, Heer, gaat dit zo door?
Bij God je veilig wanen
maar wie tegen je is
dood wensen,
van je vijand een karikatuur maken,
is hij dan geen mens?
Jankende hyena’s die jou zoeken te verslinden
hongerig willen ze jou als prooi.
De finale afrekening laat je – gelukkig - over
aan de God van de hemelse machten,
maar klinkt jouw lied niet een tikje vals?

Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen Saul opdracht had gegeven David thuis vast te houden en hem te doden.

   Bevrijd mij van mijn vijanden, mijn God,
bescherm mij tegen mijn belagers.
   Bevrijd mij van wie onrecht doen,
red mij van hen die bloed vergieten.
   Zij hebben het op mijn leven voorzien
en vallen mij aan met geweld.
Niet om mijn misdaad, niet om mijn zonde, HEER,
   ik ben onschuldig, maar zij dringen op en sluiten de rijen.
Verhef u om mij te helpen, zie naar mij om,
   HEER, God van de hemelse machten,
God van Israël, ontwaak en straf alle volken,
heb geen genade met verraad en onrecht. sela
   Avond aan avond keren zij terug
en zwerven rond in de stad,
grommend als honden.
   Hun mond loopt over van venijn,
de woorden op hun lippen zijn zwaarden,
zij denken: Wie hoort het?
   U, HEER, zult om hen lachen,
u drijft de spot met alle volken.
   Mijn sterkte, aan u houd ik mij vast,
ja, God is mijn burcht.
   God, die trouw is, zal mij te hulp komen,
God zal mij doen neerzien op wie mij aanvallen.
   Dood hen nog niet – mijn volk mag niet vergeten –,
laat hen ronddolen en sla hen dan neer,
met uw kracht, Heer, ons schild.
   Zonde is de taal uit hun mond,
het woord van hun lippen.
Laat hen stikken in hun trots,
in hun vloeken en leugens.
   Sla toe in uw toorn,
sla vernietigend toe.
Tot aan de einden der aarde
zullen zij weten dat God
over Jakob heerst. sela
   Ze keren terug, avond aan avond,
grommend als honden
zwerven ze rond door de stad,
   dolend op zoek naar voedsel,
jankend als ze niet worden verzadigd.
   Maar ik, ik zal uw sterkte roemen,
in de morgen uw trouw bezingen:
u bent voor mij altijd een burcht geweest,
een toevlucht in tijden van nood.
   Mijn sterkte, voor u wil ik zingen,
mijn burcht is God,
de God die mij trouw blijft.

Psalm 58

Beoordeelt u de mensen eerlijk?
Wat een goede vraag, aan rechters, machtigen,
nee, aan iedereen die oordeelt over goed en fout.
Gedachten zijn daden,
wat in ons hart zit komt in onze handen,
wij voegen daden bij ons woord,
vrij spel geven we aan grensoverschrijdende gevolgen
en dat gebeurt óveral.
Het moet wel in onze aard zitten,
erfzonde en geen ontsnappen aan.
Iemand noemde mij geschrokken een schorpioen
met een zwiepende staart en stekend venijn.
Hoe kan ik dan vragen om een ander op z’n bek te rammen
als ik zelf er ook wat van kan?
Imponerende rij beelden trouwens voor
alles dat stoppen moet, zijn kracht verliest,
niet langer schade berokkent, z’n doel mist, ophoudt te bestaan!
Oneerlijke beoordelingen kunnen dodelijk zijn,
ze ontnemen levensvreugde en vertrouwen.
Ik wil geen dove slang zijn, geen vuurtje opstoken,
maar luisteren naar wie mij aanspreekt en zegt ‘ho!’
Ik zeg sorry voor al mijn ongezouten commentaren bij de televisie -
maar wat kúnnen mensen onder stress dom zijn en eigengereid….
Nee, een rechtvaardige ben ik niet,
dus laat dat bloed maar zitten, wat een gruwelijke praktijk,
wie zal dáár nou blij om zijn?
Kan enig zelfinzicht ook uiting zijn van geloof?
Doet God ook zó recht op aarde?

Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed.

   Machtigen, spreekt u werkelijk recht,
beoordeelt u de mensen eerlijk?
   In uw hart bedrijft u al onrecht, en overal op aarde
geeft u vrij spel aan het geweld van uw handen.
   Van de moederschoot af zijn ze van God vervreemd,
van hun geboorte af dwalen die leugenaars.
   Giftig zijn ze als een bijtende adder,
doof als een slang die zijn oren sluit,
   die niet luistert naar de stem van zijn bezweerders,
hoe bedreven zij hun spreuken ook zeggen.
   God, sla hun de tanden uit de mond,
verbrijzel de kaken van die leeuwen, HEER –
   dat ze verdwijnen als water dat wegvloeit,
als pijlen die op de boog al breken,
   als een slak die kruipend oplost in slijm,
als een misgeboorte die nooit de zon ziet,
   als een doorntak die in storm verwaait,
nog voor hij de pot kan verhitten.
   Verheugd is de rechtvaardige als hij vergelding ziet,
in het bloed van de wettelozen wast hij zijn voeten.
   Dan zegt men: ‘De rechtvaardige wordt beloond,
er is een God die recht doet op aarde.’

Psalm 57

Bij psalm 57 - door Anneke Nolet

David weet
de spelonk alleen
zal hem niet redden
van zijn belager Saul.

Comfortabel is mijn honk
waar ik schuil voor grillig corona-gevaar
in goed maar kwetsbaar gezelschap.
Van waar zal redding komen?

Ik vertrouw op u, Aanwezige,
u geeft de ademkracht.
Laat ons dan herademen
waar corona schade bracht.
Wil deze vijand temmen
met zijn tentakels wereldwijd;
leer ons de valstrik kennen
die hij ons toebereidt.

Uw liefde en uw trouw
staan sterker wereldwijd.
Ik zal de lof u zingen,
wees gij toch ons behoud.

En als wij dan begrijpen
hoe dit gevaar ontstond,
geef dan de intuïtie
tot gezond verder gaan.
Uw naam heeft ongetwijfeld
een plaats in dat bestaan.

Ik zing om alles en allen
recht te doen ervaren;
verder dan hemel en aarde
reikt uw liefde en trouw.
Uw schepping zal ruimte schenken
aan wie maar wil verstaan,
hoe kwetsbaar samenwerken
de eer is aan uw naam.

Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen hij voor Saul was gevlucht in een spelonk.

Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij u is mijn leven geborgen. In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, tot het doodsgevaar is geweken.

Ik roep tot God, de Allerhoogste,tot God, die mij beschermt. Uit de hemel zal hij hulp sturen, wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd. sela
Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw.

Tussen leeuwen moet ik liggen, tussen dieren die mensen verslinden, hun tanden zijn speren en pijlen, hun tong is een geslepen zwaard.

Verhef u boven de hemelen, God,laat uw glorie heel de aarde vervullen.

Ze hadden een net op mijn weg gespannen,mijn voeten raakten erin verstrikt,ze hadden voor mij een kuil gegraven,maar vielen er zelf in. sela

Mijn hart is gerust, o God,mijn hart is gerust,ik wil voor u zingen en spelen.Ontwaak, mijn ziel, ontwaakmet harp en lier, ik wil het morgenrood wekken.

U, Heer, zal ik loven onder de volken,over u zingen voor alle naties. Hemelhoog is uw liefde,tot aan de wolken reikt uw trouw.

Verhef u boven de hemelen, God,laat uw glorie heel de aarde vervullen.

Psalm 56

Een roerloze duif in de verte – wat een rustgevend lied moet dat zijn.
Maar wacht. Weer is er dreiging.
Is het wel een duif?
Een webcam misschien die iedereen in de gaten houdt?
Of die beren soms, in de vensterbank?
Op God vertrouw ik, angst ken ik niet
Wat kan een sterveling mij aandoen?

Mijn tegenstanders observeren mijn gangen,
Vanuit hun hoge vesting controleren zij mijn reizen,
ze loeren voortdurend op mijn bestaan.
Zo verzamelen ze hun big data
met smartphones, apps, cctv, pleisters, helmen, drones en thermometers
ze monitoren alles wat ik doe.
Hoever ik loop, wie ik passeer,
zij weten het;
mijn temperatuur bij de ingang,
mijn hartslag en mijn saturatie als ik op bed lig –
zij noteren het voor mijn bestwil,
controleren mij voor het algemeen belang.
Dreiging of vrede?
Betrouwbaar of kwaadaardig?
Mijn baas gaat al mijn gangen na nu ik niet kom werken,
drie keer per week stalkt hij mij die te moe is voor de trap.
Autoriteiten zeiden: na drie dagen ben je weer fit -
maar al wekenlang sleep ik mij van bed naar stoel,
mijn hart gaat als een razende te keer
na vijf minuten lopen keert de koorts weer terug.
Op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Laat mij wandelen onder Gods hoede,
zonder paranoia in het licht van het leven.

Voor de koorleider. Op de wijs van Een roerloze duif in de verte. Van David, een stil gebed, toen de Filistijnen hem in Gat hadden gegrepen.

   Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij,
de hele dag bestoken en bestrijden ze mij.
   Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag,
en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting.
   In mijn bangste uur vertrouw ik op u.
   Op God, wiens woord ik prijs,
op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een sterveling mij aandoen?
   Hun woorden krenken mij de hele dag,
tegen mij zijn hun boze plannen gericht.
   Ze wachten hun kans af
en bespieden mijn gangen,
loerend op mijn leven.
   Gaan zij hun straf ontlopen?
Toon uw toorn, God, en sla dat volk neer!
   Mijn omzwervingen hebt u opgetekend,
vang mijn tranen op in uw kruik.
Staat het niet alles in uw boek?
   In het uur dat ik u aanroep wijken mijn vijanden,
want dit weet ik: God staat mij terzijde.
   Op God, wiens woord ik prijs,
op de HEER, wiens woord ik prijs,
   op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?
   Aan u, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik u betalen,
   u hebt mijn leven aan de dood ontrukt,
mijn voet voor struikelen behoed.
Nu kan ik wandelen onder Gods hoede
in het licht van het leven.

Psalm 55

Bij psalm 55 - door Ynze Baumfalk

De Dappermarkt. Je doet je best, zo met die anderhalve meter. De meeste anderen ook. Er wordt een merkwaardige dans opgevoerd om elkaar ontwijken. Lukt maar zelden.
De Lidl supermarkt. Je pakt een karretje en hoopt dat er niet teveel onheil aan kleeft. Russische roulette. Botsingen onvermijdelijk.
De stad. Levensgevaarlijk. De stad die er voor mijn gevoel nou juist was om te kunnen delen. Pleinen, straten, ruimte, cultuur.

Ik vlucht naar buiten, naar buiten de stad. Ga fietsen, wandelen. Ver weg naar Overijssel en Drenthe. Zo weinig mogelijk mensen die ik besmetten kan, of die mij kunnen besmetten. Ik ontvlucht mijn geliefde Mokum, en mijn geliefde balkonnetje.

Op de vlucht naar Ispahaan.

beeld: Bert Bouman (1921-1979), De Tuinman en de Dood - houtsnede

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David.

  Luister, God, naar mijn gebed, verberg u niet als ik om hulp smeek,  sla acht op mij en geef mij antwoord. Klagend loop ik rond, radeloos

  door het schreeuwen van de vijanden het tieren van de goddelozen, want zij storten onheil over mij uit en bestoken mij met hun woede.

  Mijn hart krimpt in mijn binnenste, doodsangst heeft mij bevangen,  vrees en beven grijpen mij aan, ik huiver over heel mijn lichaam.

  Had ik maar vleugels als een duif,ik zou opvliegen en neerstrijken,  ver, ver weg zou ik vluchten, overnachten in de woestijn,   sela  
haastig beschutting zoeken tegen de vlagen van de stormwind.

  Splijt hun tong, Heer, verwar hun spraak, want in de stad zie ik geweld en strijd,  dag en nacht gaan die rond op haar muren. In het hart van de stad heerst onheil en leed,  in het hart van de stad heerst rampspoed, het plein is in de greep van terreur en bedrog.

  Zou een vijand mij grieven, ik zou het verdragen, zou hij mij haten en zich tegen mij keren, ik zou me voor hem verschuilen.  Maar jij, die dacht en deed als ik, mijn hartsvriend, mijn vertrouwde!  Wat genoten wij als wij samen waren bij het feestgedrang in Gods huis.

  Laat de dood hen onverhoeds treffen, laat hen levend neerdalen in het dodenrijk, want bij hen huist het kwaad, het heerst in hun hart.

  En ik? Ik roep tot God, de HEER zal mij redden.  In de avond, in de morgen, in de middag klaag ik en zucht ik, en hij hoort mijn stem.

  Hij zal mij verlossen en in veiligheid brengen, mijn vijanden zal hij afweren, al zijn ze met velen tegen mij.  God hoort mij en vernedert hen. Hij troont van voor onze dagen, sela
in hem is geen verandering, maar zij hebben voor hem geen ontzag.

  Zo iemand verraadt zijn vrienden en verbreekt de broederband.  Zijn mond is glad als boter, maar vijandig is zijn hart, zijn woorden, zachter dan olie, zijn een getrokken dolk.

  Leg uw last op de HEER en hij zal u steunen, nooit zal hij dulden dat een rechtvaardige ten val komt.

  Maar hen, God, doet u neerdalen in de kuil der ontbinding. Die mannen van bloed en bedrog – zij zullen hun leven niet half voltooien, maar ik, ik vestig mijn hoop op u.

Psalm 54

Bij psalm 54 - door Greteke de Vries

Opnieuw: verraad.
Niet door vijanden maar door geloofsgenoten. Vrienden. Familie.

Ik kan het niemand anders vertellen
dus ik bid tot u, God, doe mij recht!
We houden ons hier schuil in huis,
verplicht zitten we binnen,
maar ze keren zich nu allemaal tegen mij,
vreemden zijn ze voor mij geworden.
Mijn zoon, u moet hem eens horen!
Mijn man, als ogen konden doden!
Mijn dochter, ze draait haar hoofd van mij weg en zwijgt.
Zal God dan nu mijn helper zijn?
Bij mijn baby alleen ben ik veilig,
Iedereen keert zich tegen mij behalve zij.
Laat ze allemaal maar de ziekte krijgen,
God, zorg alstublieft dat het stopt!
Dan zal ik u bedanken,
vertellen dat u goed bent, ja, u wel.
God heeft mij uit mijn nood gered.
Zonder angst kijk ik mijn gezin in de ogen.


15 mei 2020, Verenigde Naties, Internationale dag van families. De covid-19-crisis legt een enorme druk op gezinnen. Blijf van mijn lijf huizen zaten na één week quarantaine al vol.

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David,
toen de inwoners van Zif aan Saul waren gaan zeggen:
‘Weet u niet dat David zich bij ons schuilhoudt?’

   God, bevrijd mij door uw naam,
verschaf mij recht door uw macht.
   God, luister naar mijn gebed,
hoor de woorden van mijn mond.
   Vreemden vallen mij aan,
zij staan mij met geweld naar het leven,
zij houden God niet voor ogen. sela
   Zie, God is mijn helper,
de Heer is het die mijn leven draagt.
   Laat het kwaad zich keren tegen mijn belagers,
toon uw trouw en breng hen tot zwijgen.
   Van harte zal ik u offers brengen
en uw naam loven, HEER, want hij is goed:
   hij heeft mij uit de nood gered,
onbevreesd zie ik mijn vijanden aan.

Psalm 53

Welke dwazen denken dat: er is geen God?
De “kernwapenmogendheden die
de wapenbeheersingsakkoorden hebben opgezegd –
en vergaande plannen ontwikkelen
tot ‘modernisering’ van de kernwapens
tot een investering van 1 triljoen dollar wereldwijd
in de komende tien jaar.”
Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht,
geen van hen deugt.
Denken “geen God” is:
de ogen sluiten voor de eenheid van al wat leeft;
het gebod tot liefde en barmhartigheid niet aanvaarden;
het risico niet durven nemen om de ander te vertrouwen;
is
rekenen op de macht van de rijkste
en de kracht van de sterkste.
Dwazen zijn het,
machtshongerige domoren in het kwadraat.
Zoekt één van hen God,
keert de andere wang,
verlaat het hellend vlak?
Natuurlijk niet, ze snijden zich in eigen vlees,
Of zij bang worden weet ik niet,
maar mij overvalt een hevige angst
als nooit te voren.
Coronacrisis, klimaatcrisis, kernwapenwedloop.
Hoe bestaat het dat we toch min of meer doorleven!
Zal God ons redden, hen verwerpen?
Maar wie is ons en wie is hen?
Ach, laat God waarvandaan dan ook te hulp schieten,
het lot van Zijn mensen ten goede keren.
Wat zullen we mét Jakob juichen,
met alle volken samen ons verheugen!

N.a.v. de recent uitgegeven “Verklaring van de Raad van Kerken in Nederland tegen de nieuwe kernwapenwedloop” ter gelegenheid van het 50-jarige “verdrag tegen de Verspreiding van Kernwapens (Non Proliferation Treaty – NPT) en de Toetsingsconferentie gehouden in New York. Deze conferentie zou in mei 2020 plaatsvinden, maar is vanwege de Corona-pandemie uitgesteld tot 2021.” De verklaring van de Raad van Kerken wil de Nederlandse afvaardiging naar de conferentie stimuleren “hernieuwd in te zetten op het verbieden van de productie, het bezit, de dreiging met en de inzet van nucleaire massavernietigingswapens, net zoals dit al het geval is voor chemische en biologische wapens.”

Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David.

   Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God.
Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht,
geen van hen deugt.
   God kijkt vanuit de hemel naar de mensen
om te zien of er één verstandig is,
één die God zoekt.
   Allen zijn afgegleden, allen ontaard,
geen van hen deugt, niet één.
   Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters?
Ze verslinden mijn volk of het brood is
en God roepen ze niet aan.
   Nog even, en hen overvalt een hevige angst,
een angst als nooit tevoren.
God zal het gebeente van je belagers verstrooien,
lach maar om hen, want God heeft hen verworpen.
   Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël.
Als God het lot van zijn volk ten goede keert,
zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Psalm 52

Bij psalm 52 - door Greteke de Vries

Er was dus een strijd gaande tussen Saul en David,
de koning bij gratie Gods
en de gezalfde opvolger die zich warm liep.
David vluchtte naar het buurland,
vond onderdak bij priester Achimelech,
werd verraden door ene Doëg
die het kopgeld goed gebruiken kon.
David ontkwam,
maar zij die er niets mee te maken hadden kwamen om, Putten avant la lettre.
Rechtvaardigen echter bespotten hem / hen
en vertrouwen op de liefde van God.

Krantenkop (Volkskrant 20-3-2020): Republikeinse senatoren verkochten grote aandelenpakketten met voorkennis over coronavirus
Tot het grote publiek zei hij:
“Zeker, we moeten waakzaam zijn,
maar de VS zijn beter dan ooit voorbereid op bedreigingen van de volksgezondheid, zoals het coronavirus.”
In zichzelf:
“Maar ik verkoop als de donder m’n aandelen in hotelketens!”
Bevriende zakenlieden vertelde hij:
“Het virus is veel agressiever in zijn verspreiding dan alles wat we in de recente geschiedenis hebben gezien (…) het lijkt waarschijnlijk meer op de pandemie van 1918.”
In koor: “We moeten onze miljoenen binnenhalen voordat het reizen wordt ingeperkt, de scholen worden gesloten, het leger moet inspringen voor de overspoelde ziekenhuizen.”

Tot het grote publiek zei zij:
“Bezorgd over het virus? Bedenk: de consument is sterk, de economie is sterk, banen groeien waardoor we in de beste economische positie zijn om covid 19 aan te pakken en Amerikanen veilig te houden.”
In zichzelf: “Ik moet zo snel mogelijk mijn effecten lozen. En kopen waar winst te verwachten is: citrix, software voor thuiswerken!”

Fox News – jawel!:
“Er is geen grotere morele misdaad dan je land verraden in tijden van crisis.”

Doeg, Doëg!
Dag Saul.

Ik blijf vertrouwen op de Naam
die staat voor wat goed is,
die liefde is.

Voor de koorleider. Een kunstig lied van David,

toen de Edomiet Doëg naar Saul was gegaan
en hem had meegedeeld:
‘David bevindt zich in het huis van Achimelech.’

   Wat prijs je het kwade aan, jij held,
en smaal je voortdurend op God!
   Je zint op ongeluk, je tong
is het scherpe mes van een bedrieger.
   Je hebt het kwade lief, meer dan het goede,
de leugen meer dan de waarheid. sela
   Je houdt van woorden die pijn doen,
van een tong die bedriegt.
   God zelf zal je breken, voorgoed,
hij zal je grijpen en meesleuren uit je tent,
je wegrukken uit het land van de levenden.
   De rechtvaardigen zullen het zien, vol ontzag,
en zij lachen hem uit:
   ‘Kijk die held,
die zijn toevlucht niet zocht bij God,
maar vertrouwde op zijn rijkdom –
zijn toevlucht werd zijn ongeluk.’
   Maar ik ben als een groene olijfboom
in het huis van God,
ik vertrouw op de liefde van God
voor eeuwig en altijd.
   Ik zal u eeuwig loven om wat u hebt gedaan,
ik blijf hopen op uw naam, die goed is,
in de kring van wie u lief zijn.

Psalm 51

Bij psalm 51 - door Greteke de Vries

beeld: Ernst Fuchs (Wenen 1930- Wenen 2015), David und Bathseba, giclee op doek.

Met Batseba geslapen?
Vernederd bedoel je, me too avant la lettre.
En haar man Uriah laten sneuvelen,
dat zou ik toch ook wel even noemen.
Moord en doodslag in Davids eigen familie tot gevolg,
vernederingen ten aanzien van het hele volk
en het verwekte kind moet sterven -
God is ongenadig.

Wie schaamteloos grenzen overschrijdt
zich door begeerte laat leiden
meent dat ‘ie boven en onder de wet
z’n goddelijke gang kan gaan
zal het domino-effect ervaren.
Het kwaad gaat door en door en door,
die heeft geen zorgeloos leven meer,
die bouwt niks meer op,
die is in het leven volkomen verdwaald.

Dan volgt de aanklacht, scherp en zonder angst.
Jíj hebt schuld.

Daarop de zelfonthulling van zijn ziel.
Ja, ik heb gezondigd, ik heb wandaden begaan,
Mijn ongerechtigheden volgen mij na.

Een moment van overdrijving of meent hij het?
Nog vóórdat ik geboren werd was ik al zó slecht!
Geen greintje goedheid vind ik in mijzelf!

Het besef.
Of ik dóór kan gaan met m’n leven,
weer mee mag doen met de samenleving
zoals een uitgestoten lepralijder die gereinigd is
weer terug mag keren naar de clan…
het is niet in mijn macht,
it is totally up to You.
Ik heb gebroken met wat betrouwbaar is en goed,
ik heb alle recht van spreken verspeeld,
ik draag de consequenties van mijn gedrag,
ik kan niet anders dan smeken om genade.

Waar vind je nog publieke zelfreflectie,
zo’n openlijk besef van eigen schuld,
een gezamenlijk zoeken naar herstel voor zover mogelijk
en de juiste prijs?

  Voor de koorleider. Een psalm van David,

toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.

   Wees mij genadig, God, in uw trouw,
u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,
   was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.
   Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
   tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.
Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn
en uw oordeel zuiver.
   Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving,
   maar u wilt dat waarheid mij vervult,
u leert mij wijsheid, diep in mijn hart.
   Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein,
was mij en ik word witter dan sneeuw.
   Laat mij vreugde en blijdschap horen:
u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.
   Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.
   Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
   verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.
   Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
   Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot u.
   U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.
   Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
   U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.
   Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult u, God, niet verachten.
   Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,
bouw de muren van Jeruzalem weer op.
   Dan zult u de juiste offers aanvaarden,
offers in hun geheel verbrand,
dan legt men stieren op uw altaar.